Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
( [1] )Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 5 februari 2015 gevoegd van de waarnemend geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [A].
( [2] )
( [3] )– beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [4] )bepaalt:
“Indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte niet passender is, kan zij dit gevoelen aan de officier van justitie kenbaar maken; zo nodig bepaalt de rechtbank daarbij dat de behandeling op een later tijdstip wordt voortgezet.”Deze bepaling strekt er toe aan te geven hoe de verhouding tussen de officier van justitie en de rechter is met betrekking tot een door eerstgenoemde aan laatstgenoemde gedaan verzoek. Daaromtrent overweegt de Hoge Raad in rov. 3.2.2 van zijn beschikking d.d. 29 april 2005 onder meer het volgende:
( [5] ). Blijft de officier van justitie bij zijn eerdere verzoek dan zal de rechter de toewijsbaarheid van dat verzoek alsnog hebben te beoordelen.
( [6] )Voorwaarde b ziet op de eis van proportionaliteit, nl. dat de kans op verwezenlijking van het gevaar zo groot dient te zijn dat uit dien hoofde de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen valt.
( [7] )
( [8] )