Conclusie
1.Feitenen procesverloop
gemotiveerdebetwisting kan worden aangemerkt.
actiefheeft meegewerkt aan de oplichting zelf door samenwerking met degenen die het contact met [eiser] hebben gelegd, de ‘cheque’ hebben gefabriceerd en/of de auto hebben doorverkocht is naar het oordeel van het hof niet af te leiden uit die verklaringen noch uit enige andere productie, voor zover bruikbaar (r.o. 4.3 sub 2 van het tussenarrest van 11 maart 2014). Grief IV wordt verworpen.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
“Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven”. Dit reglement vermeldt [5] :
“Bij stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, wordt een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal gevoegd, tenzij het eenvoudig leesbare stukken betreft die zijn gesteld in de Engelse, Franse of Duitse taal.”Een soortgelijke bepaling is te vinden in het procesreglement voor verzoekschriftprocedures in familiezaken bij de hoven [6] . Het
“Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven” vermeldt niets over stukken in een vreemde taal [7] , evenmin als het
“Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank handel/voorzieningenrechter”. Het
“Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken”bevat slechts een regeling voor het geval dat de
dagvaardingmoet worden gepubliceerd of vertaald in een vreemde taal (art. 3.1, aanhef en onder i). Het reglement voor verzoekschriftprocedures bij de kantonrechter bevat weer wel een (algemene) regeling voor in een vreemde taal gestelde stukken [8] .
geenvertaling is bijgevoegd, terwijl dit volgens de rechter wel nodig is. Krijgt de betreffende partij dan de gelegenheid alsnog een beëdigde vertaling in het geding te brengen, of worden de stukken direct uitgesloten? Van dit laatste biedt de onderhavige zaak een voorbeeld: het hof heeft (in elk geval) de
“overige producties van [eiser] die niet in het Nederlands zijn gesteld”zonder meer buiten beschouwing gelaten [11] . Maar er zijn meer voorbeelden [12] .
“op safe spelen” [13] .
geenregeling bevat [14] . Eventueel kunnen dergelijke stukken wel zonder meer worden uitgesloten, indien het de betrokken partij duidelijk had moeten zijn dat de betreffende stukken voor de rechter of de wederpartij zonder vertaling onbegrijpelijk zijn. In dat geval zal de rechter zijn beslissing om de betreffende stukken uit te sluiten wel nader moeten motiveren.
“overige producties van [eiser] die niet in het Nederlands zijn gesteld”. Alleen ten aanzien van de verklaring van [betrokkene 3] heeft [eiser] immers aangekondigd dat nog een vertaling in het geding zal worden gebracht, waarmee [eiser] vervolgens in gebreke is gebleven. Ik merk voorts op dat het hier toepasselijke procesreglement geen regeling bevat over stukken in een vreemde taal [17] .
nodigis. Indien het hof - vervolgens - zou hebben geoordeeld dat een vertaling inderdaad nodig was, had het hof [eiser] in de gelegenheid moeten stellen alsnog een beëdigde vertaling in het geding te brengen. In elk geval had het hof, voor zover het toch bevoegd zou zijn deze gelegenheid niet meer te bieden, zijn oordeel terzake moeten motiveren. Gelet op dit een en ander acht ik ’s hofs oordeel, zo het al niet op een onjuiste rechtsopvatting berust, in elk geval ontoereikend gemotiveerd.
nodigis om het betreffende stuk goed te kunnen begrijpen. In het geval dat de betrokken partij vervolgens (zonder verdere uitleg) nalaat de vertaling daadwerkelijk in het geding te brengen, mag de rechter het stuk buiten beschouwing laten. Hij behoeft dan geen gelegenheid meer te bieden de vertaling alsnog in het geding te brengen.
nietheeft verzocht [A] te mogen bellen, kan uit haar verklaring zeer wel worden afgeleid dat volgens haar een dergelijk telefoongesprek niet heeft plaatsgevonden. Immers, van haar lezing van de gebeurtenissen op het bedrijf van [eiser] maakt een telefoongesprek - met wie dan ook - geen deel uit, terwijl [verweerster] bovendien heeft verklaard (niet voor [A] , maar) voor [betrokkene 4] te hebben gewerkt. Dat [eiser] vervolgens in zijn weergave van de feiten gewag heeft gemaakt van een verzoek van [verweerster] om [A] te mogen bellen en dat uit het proces-verbaal van de comparitie niet van een uitdrukkelijke betwisting van een dergelijk verzoek blijkt, acht ik bij die stand van zaken onvoldoende om een dergelijk verzoek als onbetwist en derhalve als vaststaand aan te merken. Daarbij komt mijns inziens mede betekenis toe aan het feit de comparitierechter, zonder partijen gelegenheid te hebben geboden nog schriftelijk op de over en weer ter comparitie betrokken stellingen te reageren, aanstonds vonnis heeft bepaald. De klacht dat het hof het bedoelde verzoek als vaststaand had moeten aannemen, faalt daarom, evenals de klachten die op het welslagen van die klacht voortbouwen.
actiefheeft meegewerkt aan de oplichting zelf door samenwerking met degenen die het contact met [eiser] hebben gelegd, de ‘cheque’ hebben gefabriceerd en/of de auto hebben doorverkocht is naar het oordeel van het hof niet af te leiden uit die verklaringen noch uit enige andere productie, voor zover bruikbaar (r.o. 4.3 sub 2 van het tussenarrest van 11 maart 2014). (…)
onder 29) dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, indien het met zijn verwijzing naar art. 192 lid 1 Rv Pro in rov. 4.3 onder 3 van het tussenarrest tot uitdrukking heeft gebracht dat aan de onderhavige getuigenverklaringen geen of geen doorslaggevende waarde kan worden toegekend, althans dat de getuigenverklaring van [verweerster] niet meinedig kan zijn, omdat die verklaring(en) niet in de voorliggende procedure is (zijn) opgekomen. In zoverre heeft het hof miskend dat art. 152 lid 2 Rv Pro bepaalt dat aan de onderhavige getuigenverklaringen zogenoemde vrije bewijskracht toekomt, aldus het onderdeel.
geenof
geen doorslaggevendewaarde kan worden toegekend, en ook niet dat de getuigenverklaring van [verweerster] niet meinedig kan zijn.
onder 31 e.v.) dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod heeft gepasseerd. Na te hebben gewezen op de bepaling van art. 166 lid 1 Rv Pro en op de volgens de Hoge Raad aan een bewijsaanbod in hoger beroep te stellen eisen [18] , herinnert het middel eraan dat [eiser] in zijn toelichting op grief V bewijs heeft aangeboden als hierna geciteerd:
productie 2). Hij zal bij akte een beëdigde vertaling in het geding brengen.
[eiser] ook in hoger beroep (…) onvoldoende concreet (heeft) aangegeven wat deze getuigen zouden kunnen verklaren met betrekking tot de stelling die [eiser] gezien zijn vordering zou moeten bewijzen, namelijk dat [verweerster] door oplichting de Mercedes van [eiser] afhandig heeft gemaakt”. Het hof lijkt dus van [eiser] te hebben verlangd dat hij zou hebben aangegeven
watde getuigen zouden kunnen verklaren. Gelet op de hiervoor weergegeven vaste jurisprudentie van de Hoge Raad had het hof dit in beginsel niet mogen doen.
datde getuigen kunnen verklaren omtrent de door het hof omschreven, door [eiser] te bewijzen stelling, is ’s hofs oordeel naar mijn mening, ten aanzien van beide getuigen, onbegrijpelijk.
“nader aan de tand te doen voelen” [23] is hiermee direct duidelijk, zeker nu [verweerster] , zoals [eiser] ook heeft benadrukt [24] , eerder tegenstrijdige verklaringen had afgelegd. In dit licht voldoet het aanbod aan de daaraan in appel te stellen eisen. Het is voldoende specifiek en ter zake dienend.
“op dezelfde wijze”door [verweerster] is bedrogen [25] . Weliswaar blijkt daaruit niet dat [betrokkene 3] - in directe zin - kan verklaren over de oplichting van [eiser] , maar wel is voldoende duidelijk dat, indien het bedrog door [verweerster] van [betrokkene 3] inderdaad zou komen vast te staan, dit aan het bewijs (met betrekking tot de betrokkenheid van [verweerster] bij de oplichting van [eiser] ) in de onderhavige zaak zou kunnen bijdragen. Hoewel summier toegelicht, voldoet in dit licht ook dit bewijsaanbod aan de daaraan in appel te stellen eisen. Het is voldoende specifiek en ter zake dienend.