ECLI:NL:PHR:2015:1832

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2015
Publicatiedatum
15 september 2015
Zaaknummer
13/05128
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138a SrArt. 551a SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring OM wegens onrechtmatige ontruiming bij kraakzaak

De zaak betreft een verdachte die wordt verdacht van het wederrechtelijk binnendringen en vertoeven in een pand te Rotterdam, waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd. Het hof had het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens een onrechtmatige ontruiming die volgens het hof een onherstelbaar vormverzuim vormde.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten waarin is geoordeeld dat een onrechtmatige ontruiming niet kan gelden als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv dat leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Op basis hiervan vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting.

De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van medeplegen van vernieling en veroordeeld voor medeplegen van kraken. Het hof had de vrijspraak niet aan zijn oordeel onderworpen. De Hoge Raad merkt op dat de termijn voor het indienen van cassatie is overschreden, maar dat dit in de nieuwe behandeling aan de orde kan komen.

De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak. Er wordt tevens verwezen naar samenhang met een andere zaak met nummer 13/04990.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 13/05128
Zitting: 25 augustus 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 24 september 2013 heeft het Gerechtshof Den Haag – met vernietiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2012, voor zover aan zijn oordeel onderworpen – het Openbaar Ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.
De rechtbank Rotterdam had verdachte vrijgesproken van “(medeplegen van) vernieling” en veroordeeld voor “medeplegen van kraken” tot een geldboete van € 150,00, subsidiair drie dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren. In hoger beroep was de vrijspraak niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
Er bestaat samenhang tussen deze zaak en de zaak met nummer 13/04990, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Advocaat-generaal bij het hof, mr. T.W. d’Anjou heeft cassatie ingesteld. Advocaat-generaal M.E. de Meijer heeft de schriftuur ingediend met één middel van cassatie.
Het
middelbevat de klacht dat het hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, omdat het hof die beslissing heeft gebaseerd op het onjuiste oordeel “dat de door het hof als onrechtmatig geoordeelde ontruiming op de voet van art. 551a Sv heeft te gelden als een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv”.
Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:
“zij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 juni 2012 tot en met 4 juli 2012 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een (bedrijfs)pand, althans een gebouw (gelegen aan de [a-straat 1]), waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.”
7. De Hoge Raad heeft op 18 november 2014 reeds arrest gewezen in de zaken tegen drie medeverdachten (14/01931 (ECLI:NL:HR:2014:3306), 13/05126 (ECLI:NL:HR:2014:3307) en 13/05129 (ECLI:NL:HR:2014:3308)), waarin telkens dezelfde overweging van het hof, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, in de de cassatieprocedure aan de orde was. Kortheidshalve verwijs ik voor de overweging van het hof in deze zaak naar het citaat in voornoemde arresten (telkens onder 2.3).
8. De Hoge Raad oordeelde in de zaken tegen de medeverdachten:
“2.4 Aan de verdachte is overtreding van art. 138a Sr ten laste gelegd. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1729, geoordeeld dat indien de strafrechter bevindt dat een ontruiming op de voet van art. 551a Sv onrechtmatig is geweest, dit verzuim niet kan gelden als een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv naar de in de strafzaak aan de verdachte tenlastegelegde overtreding van art. 138a Sr. Daaruit volgt dat het Hof de gestelde onrechtmatige ontruiming ten onrechte heeft aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte moet leiden. Het middel klaagt daarover terecht.”
9. In de onderhavige zaak geldt hetzelfde, zodat het middel slaagt.
10. Ambtshalve wil ik nog het volgende opmerken. De verdachte heeft op 27 september 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn bij de Hoge Raad pas op 12 augustus 2014 binnengekomen, waardoor de termijn die voor inzending geldt met 2,5 maanden is overschreden. Deze termijnoverschrijding behoeft thans geen bespreking, aangezien het tijdsverloop in deze zaak bij de nieuwe behandeling bij het gerechtshof eventueel aan de orde kan worden gesteld. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG