Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
18 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard wegens een onherstelbaar vormverzuim door een onrechtmatige ontruiming van een pand in Rotterdam.
De verdachte werd verdacht van wederrechtelijke binnendringing en verblijf in een bedrijfsgebouw. De politie trad het pand binnen op grond van artikel 55 Sv Pro, maar het hof oordeelde dat dit een onrechtmatige ontruiming betrof die niet volgens de beleidsregels van het College van procureurs-generaal was aangekondigd, waardoor het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2013:1729) waarin is geoordeeld dat een onrechtmatige ontruiming op grond van artikel 551a Sv niet automatisch een onherstelbaar vormverzuim oplevert in het voorbereidend onderzoek. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling door het hof.
De Hoge Raad benadrukt dat de bevoegdheid tot ontruiming strikt moet worden toegepast en dat de beleidsregels ter bescherming van het huisrecht en het recht op een effectief rechtsmiddel van belang zijn, maar dat de onrechtmatigheid van de ontruiming niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
De zaak wordt terugverwezen zodat het hof opnieuw kan oordelen over de vervolging op basis van het bestaande dossier.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.