De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzetheling en diefstal met valse sleutels, en tot een gevangenisstraf van vier maanden. Tevens had het Hof een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte de wettelijke rente heeft toegekend terwijl deze niet was gevorderd in eerste aanleg, conform vaste jurisprudentie. Daarnaast is de redelijke termijn voor het aanleveren van stukken aan de Hoge Raad met elf dagen overschreden, wat een schending van het recht op een redelijke termijn inhoudt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het de wettelijke rente betreft en de duur van de straf, die verminderd zal worden. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. De benadeelde partij kan de niet-toegewezen schadevergoeding slechts via de burgerlijke rechter vorderen.