ECLI:NL:PHR:2015:180

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2015
Publicatiedatum
10 maart 2015
Zaaknummer
13/04282
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 421 lid 3 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest Hof Amsterdam wegens onterecht toegepaste wettelijke rente en termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzetheling en diefstal met valse sleutels, en tot een gevangenisstraf van vier maanden. Tevens had het Hof een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte de wettelijke rente heeft toegekend terwijl deze niet was gevorderd in eerste aanleg, conform vaste jurisprudentie. Daarnaast is de redelijke termijn voor het aanleveren van stukken aan de Hoge Raad met elf dagen overschreden, wat een schending van het recht op een redelijke termijn inhoudt.

De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het de wettelijke rente betreft en de duur van de straf, die verminderd zal worden. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. De benadeelde partij kan de niet-toegewezen schadevergoeding slechts via de burgerlijke rechter vorderen.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd voor zover wettelijke rente is toegekend en de strafduur wegens termijnoverschrijding wordt verminderd.

Conclusie

Nr. 13/04282
Mr. Vegter
Zitting 13 januari 2015
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 27 augustus 2013 de verdachte ter zake van 1. “medeplegen van opzetheling” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd” en 3. “opzetheling” en 4. “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader in het arrest omschreven.
2. Mr. T. de Bont, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof bij zijn beslissing op de vordering van benadeelde partij [de benadeelde partij] het schadebedrag ten onrechte heeft vermeerderd met de wettelijke rente terwijl die rente niet gevorderd is.
4. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.459,98. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 209,98. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
(…)
Beslissing
(…)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 209,98 (tweehonderdnegen euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.
(…)”
5. Ik stel voorop dat uit art. 421 lid 3 Sv Pro volgt dat een benadeelde partij, voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, zich in hoger beroep slechts binnen de grenzen van de vordering zoals gedaan in eerste aanleg opnieuw kan voegen. In dit kader is het inmiddels bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dat de wettelijke rente over een toegewezen vordering van een benadeelde partij in hoger beroep slechts kan worden opgelegd wanneer deze in eerste aanleg ook is gevorderd. In het arrest HR 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262, overwoog de Hoge Raad dat “de benadeelde partij haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente”. [1]
6. Uit hetgeen onder 4 is opgenomen volgt dat het Hof in de onderhavige zaak de vordering van benadeelde partij [de benadeelde partij] tot een bedrag van € 209,98 heeft toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voorts heeft het Hof beslist dat het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.
7. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich een voegingsformulier opgemaakt door de benadeelde partij [de benadeelde partij] op 18 april 2012. Nu uit het voegingsformulier noch uit de processen-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de benadeelde partij de wettelijke rente over de gevorderde bedragen heeft gevorderd, had het Hof het toegewezen bedrag niet mogen vermeerderen met de wettelijke rente.
8. Het middel slaagt.
9. Het
tweede middelklaagt dat de redelijke (inzend) termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie is overschreden nu de stukken van het geding niet binnen 8 maanden door het Hof zijn ingezonden.
10. Namens verdachte is op 4 september 2013 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de begeleidende brief van 12 mei 2014 geplaatste stempel zijn de stukken van het geding op 15 mei 2014 bij de Hoge Raad binnen gekomen. De inzendtermijn van acht maanden [2] is derhalve met elf dagen overschreden. Door deze gang van zaken is de redelijke termijn geschonden hetgeen tot vermindering van de opgelegde straf zal moeten leiden. Het middel slaagt. [3]
11. De middelen slagen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend voor zover het aan de benadeelde partij [de benadeelde partij] toegewezen bedrag is vermeerderd met de wettelijke rente en voorts wat betreft de duur van de opgelegde straf in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie ook HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:707, rov. 3.2. en HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652, NJ 2014/400, rov. 2.3. en HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303, rov. 2.3.
2.De verdachte bevond zich op het moment van het instellen van het cassatieberoep niet m.b.t. de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis.
3.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.3.