Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties: Leeuwarden en Luxemburg
Met partijen wordt afgesproken dat met betrekking tot BV/fiscale eenheid het geschil als volgt zal worden omschreven: Mag de BV/fiscale eenheid de aan haar (…) in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen, omdat sprake is van algemene kosten? Indien geen sprake is van algemene kosten dan is in geschil of voor de door de Nederlandse dienstverrichters verrichte diensten in verband met de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet geen BTW in rekening had mogen worden gebracht". Vervolgens heeft de Inspecteur in zijn verweerschrift in hoger beroep de rechtsstrijd omschreven als: "
De procedure in kwestie gaat (…) over de vraag of belanghebbende aftrek van belasting kan genieten voor kosten die zijn gemaakt ten behoeve van een pensioenfonds (…)". Ter zitting van het Hof van 10 mei 2011 heeft de Inspecteur geen subsidiaire stellingen ingenomen, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het verhandelde tijdens die zitting. In de na 10 mei 2011 bij het Hof ingediende nadere stukken, de schriftelijke opmerkingen bij het Hof van Justitie en ter zitting van het Hof van Justitie zijn dergelijke stellingen evenmin ingenomen.
4.Het geding in cassatie
5.Eerste middel: algemene kosten?
mits die activiteiten in beginsel zelf aan de heffing van btw zijn onderworpen(…)”
Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingenvan een belastingplichtige, is deze gerechtigd (…) de volgende bedragen [MvH: aan btw] af te trekken: (…).” [17]
dient er in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat(zie arresten van 8 juni 2000, Midland Bank, C‑98/98, (…), punt 24, en 22 februari 2001, Abbey National, C‑408/98, (…), punt 26).
ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken
van de algemene kosten van de belastingplichtige en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Er bestaat immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen dergelijke kosten en de gehele economische activiteit van de belastingplichtige(zie arrest van 21 februari 2013, Becker, C‑104/12, punt 20).”
bepaaldeuitgaande prestatie(s), hetzij tussen de aankoop waarop de btw drukt en de totale onderneming (door het HvJ ook wel aangeduid als ‘economische activiteit’). In beide gevallen eist het HvJ dat het rechtstreekse verband zich ‘materialiseert’ doordat de aankoop wordt verdisconteerd in de prijs van de in het kader van de onderneming verrichte prestaties:
en voor zover de kosten van de door PPG in dat kader afgenomen diensten deel uitmaken van haar algemene kosten– hetgeen aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen –
zijn zij als zodanig bestanddelen van de prijs van de producten van PPG(zie in die zin arrest van 26 mei 2005, Kretztechnik, C‑465/03, (…) punt 36).”
Ook neemt het Hof hierbij in aanmerking dat de kosten hiervan, welke direct samenhangen met de arbeidsvoorwaarden van de werknemers, als algemene bedrijfskosten gedragen worden door belanghebbende. Voort neemt het Hof hierbij in overweging dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie onder meer rechtsoverweging 27 van het arrest van 22 december 2010, C-103/09 Weald Leasing) de belastingplichtige het recht heeft om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft.”
Het Hof acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de belastbare activiteiten van belanghebbende (…) de uitsluitende oorzaak van de in 2.4 tot en met 2.8 bedoelde diensten vormen [23] , dat het om die reden op de weg van belanghebbende (…) lag om de kosten van die diensten op zich te nemen en dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de algemene kosten en de gehele economische activiteit van belanghebbende (…).Onder verwijzing naar het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van Justitie, leidt de enkele omstandigheid dat de door belanghebbende (…) gemaakte kosten pensioenen betreffen die in een andere entiteit (het Pensioenfonds) worden beheerd, er niet toe dat de daarmee samenhangende kosten niet als algemene kosten kunnen worden beschouwd. (…)”
6.Tweede middel: subsidiaire stellingen ná HvJ
aftrekvan voorbelasting. Het komt mij daarom voor dat de Inspecteur met zijn meer subsidiaire stelling na-het-arrest-PPG (belanghebbende is omzetbelasting
verschuldigdover de kosten van de dienstverlening omdat daartegenover een vergoeding in natura van Stichting Pensioenfonds staat, zodat om die reden de naheffingsaanslagen in stand moeten blijven; zie punt 3.4.2 van deze conclusie) buiten die geschilomschrijving valt. Indien deze stelling van de Inspecteur gevolgd zou worden, heeft belanghebbende immers recht op aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting, doch is zij over de gemaakte kosten weer omzetbelasting verschuldigd omdat daartegenover een vergoeding van Stichting Pensioenfonds staat. Dat is iets anders dan een geschil over de aftrek van voorbelasting.
Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt onderscheidenlijk verweer ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde(…). Deze opvatting sluit aan bij de parlementaire geschiedenis op de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties, waarin is opgemerkt dat in het belastingrecht in hoger beroep de
herkansingsfunctievoorop staat, [29] en dat daarom als regel nieuwe beroepsgronden, argumenten en bewijsmiddelen in hoger beroep kunnen worden aangevoerd, tenzij een goede procesorde zich daartegen verzet (…)”
vooropgesteld dat in elke fase van het geding in hoger beroep nieuwe stellingen mogen worden betrokken, tenzij een goede procesorde zich daartegen verzet.”
de omstandigheid dat door de feitenrechter een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie is gevraagd en verkregen op zichzelf niet leidt tot een uitsluiting of beperking van de mogelijkheid om in de desbetreffende instantie daarna nog nieuwe stellingen of grieven aan te voeren. In ’s Hofs oordeel dat het geschil tussen partijen door hen uitdrukkelijk is beperkt tot de uitlegging van het begrip ‘vervaardigen’, ligt echter besloten het oordeel van het Hof dat belanghebbende andere in de
procedure aangevoerde stellingen en/of grieven uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft ingetrokken alsmede dat belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven het recht om nieuwe stellingen en grieven in het geding voor het Hof te betrekken. (…)”
indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. (…)”
7.Bua (incidenteel beroep belanghebbende)
voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel. (…)”
een reeds langer bestaande zakelijke relatie(…).”
Immers, gelet op het hiervoor in 3.2 vermelde uitgangspunt van het Hof was het evenbedoelde handelen rechtstreeks gericht op het bevorderen van de afname van grondstoffen voor medicijnen door anderen dan de Stichting. Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van relatiegeschenken in de zin van artikel 1, lid 2, van het BUA.