Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 22 mei 2014 veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.
Verdachte stelde beroep in cassatie in, maar heeft niet tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman laten indienen binnen de wettelijke termijn van twee maanden na aanzegging. Hierdoor kan verdachte niet in cassatie worden ontvangen op grond van artikel 437, tweede lid, Sv.
De benadeelde partij diende een middel van cassatie in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen geldige klacht bevatte over een rechtsregel of vormverzuim. De Hoge Raad is daarom niet bevoegd om dit middel te beoordelen.
De conclusie van de procureur-generaal is dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk verklaart in het cassatieberoep en het arrest van het gerechtshof Amsterdam bevestigt.