De zaak betreft een verdachte die door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in zogenaamde duplo-auto’s, gestolen voertuigen die van een valse identiteit werden voorzien. Het hof sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten, maar veroordeelde hem voor medeplegen van oplichting, heling en witwassen.
De verdediging voerde in cassatie aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden vanwege een schending van de privacy van verdachte. Deze privacy-inbreuk zou zijn veroorzaakt door een televisie-uitzending van het programma 'TROS Opgelicht', waarbij verdachte herkenbaar in beeld kwam door medewerking en afspraken tussen de politie en het programma. Het hof had dit verweer verworpen met het oordeel dat niet vaststond dat de privacy-inbreuk aan het openbaar ministerie was toe te rekenen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit het mediacontract en de omstandigheden blijkt dat de politie en het openbaar ministerie de programmamakers hebben gefaciliteerd en geïnformeerd, waardoor sprake is van inmenging van het openbaar gezag in de privacy van verdachte. Dit maakt de verwerping van het verweer onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde daarom de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De bewezenverklaring van de feiten omtrent heling en witwassen werd door de Hoge Raad als voldoende gemotiveerd beoordeeld. De zaak bevat uitgebreide bewijsvoering, waaronder verklaringen van verdachte, camerabeelden, proces-verbalen van verhoor en sporenonderzoek, en getuigenverklaringen. De Hoge Raad bevestigde dat verdachte wist dat de auto’s gestolen waren en dat hij medepleger was in het witwassen door het aanbrengen van valse identiteiten op voertuigen.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging van privacyrechten bij samenwerking tussen opsporingsinstanties en media, en de noodzaak van een duidelijke motivering bij het verwerpen van verweren die daarop zijn gebaseerd.