Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Wat zegt het Hof precies?
ten volleop de gedachte dat het litigieuze letsel niet (meer) op de voet van art. 6:98 BW Pro kan worden toegerekend. Daarop wijst met zoveel woorden rov. 4.9.3 eerste volzin. Deze lezing wordt versterkt door rov. 4.9.3 onder A, C laatste volzin en rov. 4.9.4 eerste volzin.
nietvoorzienbare gebeurtenis. Daarvan uitgaande, is niet goed duidelijk waarom [eiser] rekening had moeten houden met de verhoogde kans op vallen door de aanwezige deurmat en nog minder waarom die, in ’s Hofs visie, verwaarloosbare kans [eiser] op de voet van art. 6:101 BW Pro van (een deel van?) zijn vordering zou beroven, gelet op de primaire (causaliteits)maatstaf van deze bepaling.
onderdeel 3.2nog een rechtsklacht. Eigen schuld zou rechtens niet ter zake doen. Mij lijkt duidelijk dat art. 7:658 lid 2 BW Pro betrekking heeft op een andere situatie, te weten handelen of nalaten van de werknemer dat mede heeft bijgedragen
aan het ongeval. Bovendien gaat het, nog steeds in de hier veronderstelde lezing, veeleer om een ander facet van art. 6:101 BW Pro, te weten verzaking van de schadebeperkingsplicht (het, in ’s Hofs visie, laten liggen van een mat met de daaraan verbonden kans op ongevallen en daarmee vergroting van het letsel).
4.Afhandeling van het preliminaire verweer van Saint Gobain
5.Bespreking van de klachten
onderdelen 1.1, 1.2, 1.3, 1.6, 1.7 en 2.1naar voren gebracht.
onderdeel 4.Dat onderdeel komt er, als ik het goed zie, op neer dat hetgeen het Hof overigens overweegt zijn oordeel evenmin kan dragen. Die mening onderschrijf ik. Na het voorafgaande behoeft dat m.i. geen nadere toelichting.