Conclusie
F. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf voor de moord op een jongetje van anderhalf jaar. Het hof achtte bewezen dat verdachte het kind met voorbedachte raad had verwurgd en vervolgens propjes matras in de keel had gestopt, wat tot de dood leidde.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat zijn bekentenissen onbetrouwbaar waren omdat ze onder druk tot stand waren gekomen en niet strookten met forensisch bewijs. Het hof had echter geoordeeld dat de druk tijdens verhoren niet zodanig was dat het pressieverbod was overtreden en dat de bekentenissen daderkennis bevatten, met name over het matrasmateriaal dat in het lichaam werd aangetroffen.
Ook het hof vond dat verdachte met voorbedachte raad had gehandeld, gelet op de duur en wijze van de handelingen. Alternatieve scenario's werden door het hof niet aannemelijk geacht. De Hoge Raad vond de motivering van het hof toereikend en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte tot 15 jaar gevangenisstraf wegens moord met voorbedachte raad.