Conclusie
1.[eiser 1]
[eiseres 2]
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
onderdeel 1miskent het oordeel dat [eiser] c.s. zijn tekortgeschoten (en dat [verweerder] daarom onder andere tot opschorting bevoegd was), dat [eiser] c.s. niet door middel van een ingebrekestelling of anderszins in verzuim waren.
onderdeel 2miskent het oordeel dat [eiser] c.s. “op het beslissende tijdstip, namelijk op 29 januari 2010” niet kon nakomen, dat het enige gevolg van de ingebrekestelling van 21 januari 2010 was dat [verweerder] in verzuim is gekomen. Verzuim van [eiser] c.s. volgt daaruit niet. 29 januari 2010 kon voor [eiser] c.s. geen fatale datum zijn, omdat [verweerder] akkoord was gegaan met uitstel van de overdracht tot 15 februari 2010. Zouden [eiser] c.s. op die datum niet zijn nagekomen, dan zou [verweerder] hen alsdan in gebreke hebben kunnen stellen.
eerste klachtwordt daartoe voortgebouwd op de in de onderdelen 1 en 2 ontwikkelde redenering (zie de aanvang en het slot van het onderdeel). Met de
tweede klachtwordt geklaagd dat [eiser] c.s. de aan hun adres door [verweerder] gemaakte verwijten ter zake van het afval, het schrikdraadapparaat, het gebruik van een opstal door een derde, de olielekkende tractor en over de erfdienstbaarheden wel gemotiveerd hebben weersproken. De
derde klachtbetreft de begrijpelijkheid van de overweging dat [verweerder] er terecht op gewezen heeft dat brief van de makelaar van [eiser] c.s. van 29 november 2009 niet te rijmen zou zijn met de mededeling dat de derde al in juli 2009 is overleden.
onderdelen 1, 2 en deels 3stellen kort gezegd aan de orde of het hof kon oordelen dat ook [eiser] c.s. op 29 januari 2010 zijn tekortgeschoten. Wat dit betreft merk ik nu reeds op dat de
onderdelen 2 en 3feitelijke grondslag missen voor zover daarin wordt beargumenteerd dat tussen partijen is afgesproken of in confesso is dat het transport van de percelen zou worden uitgesteld tot 15 februari 2010. [4] Het hof heeft dat immers niet aangenomen, maar is uitgegaan van een transport in december 2009 (niet fataal) en ingebrekestelling door [eiser] c.s. van [verweerder] tegen 29 januari 2010 (het beslissende moment).
onderdeel 1dus ook de overweging in rov. 4.15 over opschorting door [verweerder] aan de orde stelt, faalt het bij gebrek aan belang omdat het zich richt tegen een niet dragende overweging. De discussie in cassatie in verband met de – overigens terechte [8] − stelling dat voor opschorting geen verzuim nodig is, [9] kan daarom naar mijn mening bij de beoordeling van het middel verder blijven rusten.
onderdelen 1, 2 en deels 3kunnen afdoen. Daarin wordt betoogd dat [eiser] c.s. zelf niet in gebreke zijn gesteld (of anderszins in verzuim zijn gekomen) en hun ingebrekestelling alleen het verzuim van [verweerder] tot gevolg had. Dat betoog veronderstelt enerzijds dat koper [verweerder], na ingebrekestelling door verkopers [eiser] c.s., op 29 januari 2010 in verzuim is wanneer hij op die datum niet betaalt, maar anderzijds dat de verkopers ook op die datum nog ‘risicoloos’ correcte nakoming van hun verplichtingen kunnen uitstellen zolang zij niet door de koper in gebreke zijn gesteld. Dit is in wezen de redenering waarover het hof in rov. 4.16 opmerkt, dat [eiser] c.s. uitgaan van de misvatting dat [verweerder] als eerste tot nakoming was gehouden. Als de verkoper echter, onafhankelijk van de niet-nakoming van de koper, op het beslissende tijdstip zelf niet kan nakomen, dan kan haar dat worden tegengeworpen.
nietonafhankelijk van de niet-nakoming van de koper en wordt) gerechtvaardigd omdat de verkoper zijn prestatie mag opschorten. Blijkt op het beslissende tijdstip dat de koper wel kan en wil nakomen, dan kan hij de verkoper weliswaar tegenwerpen dat het perceel niet ontruimd is, maar zal de verkoper op dat moment nog een redelijke termijn moeten worden gegund om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen nu hij tot aan dat moment zijn prestatie mocht opschorten.
onderdeel 3, waarvan de tweede en de derde klacht nog besproken moeten worden.
tweedeklacht voert aan dat [eiser] c.s. de aan hun adres door [verweerder] gemaakte verwijten ter zake van het afval, het schrikdraadapparaat, het gebruik van een opstal door een derde, de olielekkende tractor en over de erfdienstbaarheden in eerste aanleg en in appel gemotiveerd hebben weersproken.
derdeklacht is de overweging dat [verweerder] er terecht op gewezen heeft dat de brief van de makelaar van [eiser] c.s. van 29 november 2009 niet te rijmen zou zijn met de mededeling dat de derde al in juli 2009 is overleden, onbegrijpelijk. Daartoe betoogt de klacht dat in de brief van de makelaar (van [eiser] c.s.) van 27 november 2009 kennelijk iemand anders wordt bedoeld dan degene die in juli 2009 is overleden. De klacht geeft niet aan (onder verwijzing naar de stukken van het geding in feitelijke instanties) dat dit feitelijke argument reeds eerder is aangevoerd. Het kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd, zodat sprake is van een ontoelaatbaar novum. De klacht wijst er nog op dat in de brief wordt gezegd dat het gebruik op de overdrachtsdatum beëindigd zal zijn. Dat argument heeft het hof in rov. 4.15 gewogen en te licht bevonden.