ECLI:NL:HR:2014:1530

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2014
Publicatiedatum
26 juni 2014
Zaaknummer
13/02395
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt noodzaak ingebrekestelling bij beroep op opschortingsrecht bij koopovereenkomst onroerende zaak

In deze zaak stond centraal de vraag of bij een koopovereenkomst van een onroerende zaak het beroep op het opschortingsrecht kan worden gedaan zonder voorafgaande ingebrekestelling bij wederzijdse tekortkomingen. De feiten betreffen een geschil tussen partijen over tekortkomingen in de nakoming van de koopovereenkomst.

De zaak werd behandeld door de rechtbank Arnhem en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarvan de vonnissen en het arrest aan het arrest van de Hoge Raad zijn gehecht. Het hof had een oordeel gegeven dat in cassatie werd aangevochten door de eisers.

De Hoge Raad overwoog dat de klachten van het cassatieberoep niet leiden tot cassatie en dat het beroep op opschorting zonder ingebrekestelling niet toelaatbaar is. De Hoge Raad verwees naar artikel 81 lid 1 RO Pro en vond geen aanleiding tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

Daarmee werd het beroep verworpen en werden de eisers veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Streefkerk, Heisterkamp, Drion en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser c.s. wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

27 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 13/02395
LZ/NH
Hoge Raad der Nederlanden
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. J.P. Heering en mr. L. van den Eshof.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 200518/HA ZA 10-961 van de rechtbank Arnhem van 11 augustus 2010 en 2 maart 2011;
b. het arrest in de zaak 200.086.850 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 22 mei 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.933,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 juni 2014.