Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair: het productschap te veroordelen tot betaling van € 1.171.209,73, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 september 2007, en
alledoor GVH voldane (voorschot)heffingen uit de periode 1995 t/m 1998, onverschuldigd betaald zijn. De vordering van de curator betreft niet alleen de vier bestreden voorschotheffingen, maar ook alle overige door GVH voldane heffingen uit de genoemde periode (zie rov. 2.4).
alledoor GVH voldane voorschotheffingen betreffende de periode 1995 t/m 1998, als onverschuldigd betaald moeten worden aangemerkt. Dit houdt verband met de omstandigheid dat het productschap zich volgens het hof niet met succes op formele rechtskracht kan beroepen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in de zin van art. 53 Fw Provóór de faillietverklaring is ontstaan indien de vordering voortvloeit uit een regeling die ná de faillietverklaring met terugwerkende kracht in werking is getreden. Een dergelijke uitleg van art. 53 Fw Pro kan echter niet worden aanvaard. Reden daarvoor is onder meer dat de wettekst voor die interpretatie geen aanknopingspunten biedt, terwijl ook niet is in te zien waarom toepassing van het instrument van inwerkingtreding met terugwerkende kracht in een geval als het onderhavige uitgesloten moet worden geacht. [7] Zie in dit verband ook de hierboven geciteerde uitspraak van het CBb van 6 december 2006, waarin – in het kader van de beoordeling van het beroep betreffende de heffingsbesluiten van 11 mei 2001 – geoordeeld werd dat er geen aanleiding bestond om op gronden ontleend aan het rechtszekerheidsbeginsel geen toepassing te geven aan het bepaalde inzake de terugwerkende kracht.
niethet standpunt heeft ingenomen dat de betalingen die door GVH op grond van de vier bestreden voorschotheffingen onverschuldigd zijn verricht, alsnog, door de inwerkingtreding van de heffingsverordening, met terugwerkende kracht verschuldigd zijn geworden. Volgens het productschap zou dat standpunt namelijk haaks staan op de uitspraak die het CBb op 15 november 2002 in de procedure tussen de curator en het productschap heeft gedaan (CBb 15 november 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AF1205). [10]
zulks ten tijde van de betaling onverschuldigd is geschied” (cursivering A-G). Dat het CBb met die overweging echter geen definitief oordeel heeft willen geven over het karakter van de betreffende betalingen, blijkt onder meer uit het gegeven dat het CBb spreekt over onverschuldigdheid “ten tijde van de betaling”, en uit het gegeven dat het CBb in dat kader tevens overweegt dat het niet kan vaststellen “in hoeverre en op welk tijdstip eventuele verrekeningen als bedoeld in artikel 2, derde lid, laatste volzin, van de heffingsverordening hebben plaatsgevonden […]” (zie CBb 15 november 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AF1205, rov. 5). Die verrekening als bedoeld in artikel 2 lid 3 van Pro de heffingsverordening, betreft – zo oordeelde het CBb in de beroepsprocedure betreffende de heffingsbesluiten van 11 mei 2001 – uitsluitend de vaststelling van het betalingssaldo van de heffingsplichtige (zie CBb 6 december 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ4676, rov. 3.1.2).