ECLI:NL:PHR:2014:298
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking verticale verliesverrekening houdstermaatschappijen en uitleg houdsterverliesregeling Wet Vpb
Deze zaak betreft de uitleg en toepassing van de houdsterverliesregeling in art. 20(4) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). De regeling beperkt de verticale verrekening van verliezen als de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar nagenoeg uitsluitend bestond uit het houden van deelnemingen of het financieren van verbonden lichamen.
De kernvragen zijn of voorbereidende of afwikkelende werkzaamheden rondom deelnemingen onder het begrip 'feitelijke werkzaamheid bestaande uit het houden van deelnemingen' vallen en of perioden zonder feitelijke werkzaamheid buiten beschouwing moeten blijven bij de 90%-tijdtoets. De rechtbank en het hof oordeelden dat alleen daadwerkelijke deelnemingen op de balans meetellen en dat perioden zonder werkzaamheden meewegen in de toets. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitleg.
De Advocaat-Generaal concludeert dat hoewel voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden in theorie onder het houden van deelnemingen kunnen vallen, de praktische uitvoerbaarheid en rechtszekerheid vereisen dat alleen daadwerkelijke deelnemingen meetellen. Ook de tekst van de wet en parlementaire geschiedenis ondersteunen dat perioden zonder werkzaamheden meetellen bij de 90%-toets. De cassatieberoepen worden daarom ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt een strikte en tekstuele uitleg van de houdsterverliesregeling, met nadruk op rechtszekerheid en uitvoerbaarheid.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; alleen daadwerkelijke deelnemingen tellen mee en perioden zonder werkzaamheden worden meegenomen in de 90%-tijdtoets.