Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [betrokkene 11] (teamleider) en [betrokkene 12] (officier van justitie). Wat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de door de verdediging opgegeven getuige [betrokkene 12] betreft, heeft (aldus de steller van het middel) het Hof de verkeerde maatstaf - te weten het noodzakelijkheidscriterium – toegepast, nu gezien de brief van de verdediging van 5 april 2012, alsmede gelet op de incompleetheid van het dossier, materieel het verdedigingsbelang van toepassing was en derhalve de vraag of redelijkerwijs valt aan te nemen dat verzoekster door de weigering om deze officier van justitie als getuige te horen in haar verdediging werd geschaad. Het
tweede middelricht zijn pijlen op de afwijzing door het Hof van het verzoek van de verdediging om [verbalisant 7] en [verbalisant 5] als getuigen te horen. Mede gezien de toelichting op dit middel luidt de klacht, onder verwijzing naar HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5966, NJ 2008/230, dat het Hof door te overwegen dat het zich in dit verband op grond van de processtukken voldoende in staat acht de rechtmatigheid van de vervolging van verzoekster te beoordelen ten onrechte is “vooruitgelopen op de inhoud van bedoelde getuigenverklaringen”, althans dat de beslissing van het Hof ter zake onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder nu verzoekster blijkens het haar tenlastegelegde ook terecht staat voor het doen van onjuiste MOT meldingen (vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5966, NJ 2008/230). De middelen lenen zich mijns inziens voor gezamenlijke bespreking.
Aan te leggen maatstaven
“Procedure in eerste aanleg
III. Verzoeken tot het (doen) horen van getuigen
“Oordeel van het hof
“Het doen horen van nieuwe getuigen [verbalisant 7] en [verbalisant 5]
derde middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat de ‘vervolgingsuitsluitingsgrond’ als bedoeld in art. 12 van Pro de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (hierna Wet MOT (oud), AG) [4] “alleen van toepassing is op situaties waarin transacties op de juiste wijze zijn gemeld”, althans dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 primair en 2 primair niet naar de eisen van de wet met redenen zijn omkleed, nu daarbij – gelet op art. 12 Wet Pro MOT (oud) – door het Hof in strijd met het ‘nemo tenetur’-beginsel ten onrechte gebruik is gemaakt van door de instelling [verdachte] (zelf) gemelde gegevens, althans heeft het Hof onvoldoende gerespondeerd op het ter zake door de verdediging bij pleidooi naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met art. 9 of Pro art. 10 Wet Pro MOT (oud) zijn verstrekt, niet kunnen dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens (onder meer), witwassen door degene die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft [verdachte] grote geldbedragen, te weten
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Overweging met betrekking tot het bewijs
(…)
Naast deze preventieve functie heeft de voorgestelde meldingsplicht ook een repressieve functie. Door analyse van de verstrekte gegevens en de vergelijking ervan met andere gegevensbestanden kunnen feiten worden ontdekt die voor de opsporing en de vervolging van misdrijven van belang kunnen zijn.” [9]
(…)
Het voorgestelde tweede lid ziet op vrijwaring in verband met een inbreuk op een geheimhoudingsplicht indien meldplichtigen informatie verstrekken aan het MOT. De ruimere redactie is nodig omdat de toepassing van de vrijwaring zich niet zozeer richt op situaties waarin << in overeenstemming met >> de artikelen 9 of 10 Wet MOT is gemeld, maar juist vooral ziet op uitzonderlijke gevallen waarin melding krachtens indicatoren niet behoefde plaats te vinden. Het gaat om situaties waarbij beroepsbeoefenaars (advocaten, notarissen) zijn betrokken op wie een geheimhoudingsplicht rust en die gegevens hebben verstrekt in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 9 of 10 van de Wet MOT. Is daarvan sprake, dan kan betrokkene niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld ter zake van overtreding van artikel 272 van Pro het Wetboek van Strafrecht.” [15]