Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het beroep op noodweer ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een schietincident op 15 juli 2012 te Utrecht waarbij verdachte samen met twee anderen betrokken was bij een ripdeal en een daaropvolgende confrontatie met een medeverdachte die een vuurwapen had. Tijdens het incident werd het slachtoffer door een kogel van de medeverdachte gedood en schoot verdachte meerdere keren in de richting van de medeverdachte.
Het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde de veroordeling van verdachte wegens poging tot doodslag en andere feiten, maar verwierp het beroep op noodweer. Het hof oordeelde dat niet aannemelijk was dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan, ondanks dat verdachte en een medeverdachte werden geconfronteerd met een man met een getrokken vuurwapen die op hen af kwam lopen.
De verdediging stelde dat verdachte handelde uit noodweer omdat hij pas schoot nadat hij en zijn medeverdachten werden beschoten. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden, waaronder het feit dat verdachte wegrende en schoot als reactie op een dreiging met een vuurwapen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het betreft het verwerpen van het noodweerberoep en de strafoplegging, en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het onderdeel noodweer en strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.