Conclusie
middelklaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Hiertoe wordt aangevoerd dat de verwerping door het hof van het verweer dat verdachte geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat zonder nadere motivering onvoldoende begrijpelijk is waarom een vijftal strafrechtelijke veroordelingen wegens vermogensdelicten en openbare dronkenschap een dergelijke bedreiging met zich meebrengt.
[geboortedatum] te Polen,
Op grond van artikel 27, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG kunnen de lidstaten van de Europese Unie de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Uit het tweede lid van bovengenoemd artikel volgt dat de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd op het persoonlijk gedrag van betrokkene. Beperkende maatregelen kunnen uitsluitend genomen worden indien het gaat om gedragingen die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Strafrechtelijke veroordelingen vormen op zichzelf geen reden voor deze maatregelen. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan Onze Minister het rechtmatige verblijf ontzeggen of beëindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het beleid ter zake van de ongewenstverklaring van EU-/EER onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
• Op 29 oktober 2010 door de Politierechter Utrecht onherroepelijk veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf wegens het overtreden van art 310 en Pro art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 van het Wetboek van Strafrecht.
• Op 20 mei 2010 door de Politierechter Utrecht onherroepelijk veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf ter zake het overtreden van art 310 en Pro art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 van het Wetboek van Strafrecht.
• Op 6 maart 2010 door de Politierechter Utrecht onherroepelijk is veroordeeld tot 3 weken gevangenis wegens liet overtreden van art 326, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1, art 45 lid Pro 1, art 310 en Pro art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht.
• Op 17 juni 2010 door de Politierechter 's-Gravenhage onherroepelijk is veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf wegens het meermalen overtreden van art 310, art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4, art 417 bis Pro lid 1 ahf/ond a, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 van liet Wetboek van Strafrecht.
• Op 12 maart 2009 door de Politierechter Haarlem onherroepelijk is veroordeeld tot 23 dagen hechtenis en 15 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid wegens het overtreden van art 8 lid 3 ahf Pro/ond a, art 8 lid Pro 4, art 107 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
• Wegens overtreding van art 453 Wetboek Pro van Strafrecht op 16 november 2009 te Den Haag
• Wegens overtreding van art 426 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht op 28 september 2009 te Den Haag
• Wegens overtreding van art 453 Wetboek Pro van Strafrecht op 23 januari2010 te Den Haag
• Wegens overtreding van art 453 Wetboek Pro van Strafrecht op 23 maart 2010 te Amsterdam
• Wegens overtreding van art 453 Wetboek Pro van Strafrecht op 14 november 2009 te Utrecht
• Wegens overtreding van art 453 Wetboek Pro van Strafrecht op 16 december 2009 te Utrecht
• Wegens overtreding van art 453 Wetboek Pro van Strafrecht op 15 december 2009 te Utrecht.
minder dan 1 jaar: 2 weken;
ten minste 1 jaar, maar minder dan 2 jaar: 1 maand;
ten minste 2 jaar, maar minder dan 3 jaar: 3 maanden;
ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 4 maanden;
ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 5 maanden;
ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 6 maanden;
ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 7 maanden;
ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 8 maanden;
ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 9 maanden;
ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 10 maanden;
ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 12 maanden;
ten minste 15 jaar, maar minder dan 20 jaar: 14 maanden.
Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. Het beleid ter zake van de ongewenstverklaring van EU-/EER onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Ingevolge hoofdstuk A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 betreft het hier vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verbleven en wier verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd. Onder verwijzing naar het voorgaande bestaat tevens grond voor de ongewenstverklaring van betrokkene. Met betrekking tot de ongewenstverklaring wordt geconcludeerd dat betrokkene bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis meerdere malen is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Gelet op het voorgaande wordt betrokkene op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet ongewenst verklaard. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In dit geval is nie[t] gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, toch aanleiding bestaat de ongewenstverklaring achterwege te laten. Niet gebleken is immers van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat een beslissing in overeenstemming met bedoelde beleidsregels in dit geval zou leiden tot nadelige of voordelige gevolgen voor één of meer belanghebbenden, die onevenredig zouden zijn in verhouding met de door de beleidsregels te dienen doelen. Evenmin is gebleken dat strikte naleving van vorenvermelde beleidsregels, gelet op de strekking ervan en de onderliggende wettelijke regeling, in dit geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel zou opleveren voor één of meer belanghebbenden. Er bestaat daarom geen aanleiding de ongewenstverklaring achterwege te laten in afwijking van de in de Vreemdelingencirculaire neergelegde beleidsregels.