Conclusie
Middelonderdeel Ihoudt in dat het hof heeft miskend dat, nu het hof tot het oordeel kwam dat de kinderrechter de machtiging niet had mogen verlenen, uit art. 5 lid 5 EVRM Pro voor de jeugdige rechtstreeks een aanspraak op schadevergoeding volgt [3] . Het hof had, zo nodig, de schade kunnen schatten op de voet van art. 6:97 BW Pro of de tarieven kunnen volgen die bij toepassing van art. 89/90 Sv plegen te worden gebruikt.
middelonderdeel IIvoeren de jeugdige en haar vader aan dat het hof heeft nagelaten het schorsingsverzoek in appel te behandelen vóórdat in de hoofdzaak werd beslist. De toelichting op deze klacht houdt in dat in rekestzaken weliswaar niet de mogelijkheid bestaat van een incidentele vordering tot schorsing (art. 351 Rv Pro), maar dat verscheidene verdragsbepalingen meebrachten dat ten spoedigste op het schorsingsverzoek − een verzoek om onmiddellijke invrijheidstelling − werd beslist. Het schorsingsverzoek in appel is ingediend op 6 september 2013; op 7 oktober 2013 is hierover een beslissing genomen.
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in hun cassatieberoep, op grond van art. 80a lid 1 RO.