Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof te hoge eisen stelt aan de processuele stelplicht van de vrouw. De toelichting op deze klacht wijst op het overgelegde logboek, waarin de vrouw tussen 5 november 2009 en 15 maart 2010 gebeurtenissen en spontane uitingen van de zoon heeft genoteerd. Volgens de klacht gaat het hierbij om niet te negeren signalen van de zoon van angst en onveiligheid (meer concreet: van mishandeling en misbruik). Volgens de toelichting op deze klacht laat het door middel van dit logboek in detail gedocumenteerde gedragspatroon van de zoon zich niet lezen als een reeks verzinsels of anderszins ongeloofwaardig. Door de eis te stellen van “objectiveerbare, door derden bevestigde, aanwijzingen”, heeft het hof een niet te nemen horde opgeworpen voor een ouder die op grond van een vermoeden van mishandeling of misbruik de omgang van de andere ouder met het kind wil laten beperken door de rechter.
nietvan mishandeling of misbruik verdachte ouder, die signalen afgeeft welke het kind veronderstelt dat deze ouder van hem of haar verwacht. In de derde plaats beschikt een ouder doorgaans niet over de kennis, de ervaring en met name het vergelijkingsmateriaal waarover een ter zake deskundige wel kan beschikken [9] . Soms kan een deskundige nodig zijn om een kind te helpen angst te overwinnen, waarna het kind alsnog in vrijheid een verklaring kan afleggen. In andere gevallen kan een deskundige de rechter helpen om gedragingen of uitingen van het kind te interpreteren in vergelijking met hetgeen de wetenschap leert over het gedrag van kinderen die slachtoffer van mishandeling of misbruik zijn geworden.
op dat puntgeen ter zake dienende bijdrage hebben geleverd.
family lifeen, als een met het gezag belaste ouder, op contact tussen hem en de zoon. De enkele mogelijkheid dat het zorgrecht wordt misbruikt is niet voldoende om een ouder dat recht te ontzeggen; daarvoor zijn ten minste aanwijzingen nodig dat een ernstig te nemen risico van mishandeling of misbruik bestaat. Voor zover deze klacht berust op de gedachte dat er voldoende aanwijzingen voorhanden zijn van een ernstig risico dat de zoon gedurende het verblijf bij de man zal worden mishandeld of misbruikt, gaat de klacht evenmin op. Vorig jaar heeft de Kinderombudsman gerapporteerd over het feitenonderzoek in jeugdzaken [13] . Een belangrijk gedeelte van dat rapport is besteed aan een verschil tussen de taakopvatting van instellingen van jeugdbescherming, die doorgaans terughoudend zijn met overheidsingrijpen in gezinnen zonder dat sprake is van verifieerbare feiten die daartoe grond geven, en anderzijds de perceptie van ouders die van instellingen van jeugdbescherming verwachten dat deze gericht onderzoek naar de gebeurtenissen verrichten [14] . In het onderhavige geding gaat het niet om een maatregel van jeugdbescherming, maar om een van de rechter gevraagde beslissing over de hoofdverblijfplaats van het kind. De rechter kan zich niet van een oordeel onthouden op de grond dat de juistheid van de gestelde feiten (in dit geval: van de beweerde mishandeling of het beweerde misbruik van de zoon) niet kan worden vastgesteld. Nu partijen van mening verschilden of tijdens de omgang met de zoon mishandeling of misbruik door de man heeft plaatsgevonden, objectieve informatie van derden hierover ontbrak en blijkbaar geen andere mogelijkheid bestond om in dit geding nadere opheldering hieromtrent te verkrijgen, heeft de rechtbank gekozen voor een zeer ruime vraagstelling aan de deskundigen. Ik citeer uit de beschikking van 25 januari 2012 de vragen aan de via het NIFP aangewezen deskundigen:
risicovan mishandeling of misbruik van de zoon te beoordelen en de vraag naar de hoofdverblijfplaats van de zoon te beantwoorden. Het hof heeft in de uitgebrachte deskundigenrapporten geen contra-indicaties gevonden voor een hoofdverblijfplaats van de zoon bij de man. Subonderdeel 2.1 faalt.
(equality of arms)heeft onthouden. De slotsom in rov. 4.10, dat onvoldoende objectiveerbare feiten zijn gebleken die wijzen op mishandeling of misbruik, lag volgens de klacht besloten in de onderzoeksopdracht aan de deskundigen. Nu het hof geen toestemming aan de vrouw heeft verleend om de ruwe onderzoeksdata door haar eigen deskundige te laten onderzoeken, nader onderzoek naar de beweerde mishandeling en het misbruik niet in het belang van de zoon heeft geacht en bovendien het bewijsaanbod van de vrouw heeft verworpen (zie rov. 4.32), heeft het hof de vrouw alle bewijsmogelijkheden uit handen genomen. Volgens de vrouw had het hof hier ongelijkheidscompenserend moeten optreden.
second opinionzou kunnen geven. In eerste aanleg had de vrouw al verzocht om (vervangende) toestemming voor inzage in de door de deskundigen gebruikte ruwe test- en onderzoeksgegevens betreffende de zoon [17] . De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen [18] . In appel heeft de vrouw dit verzoek herhaald [19] . In rov. 4.9 heeft het hof geen grond aanwezig geacht voor de door de vrouw verzochte
second opinionof contra-expertise en ook niet voor de verzochte vervangende toestemming.
second opinionop basis van de bestaande testgegevens wenst, kan zij een andere deskundige vragen om op basis van dezelfde gegevens die de door de rechter benoemde deskundige heeft gebruikt, diens gevolgtrekkingen te controleren en te becommentariëren.
second opiniondoor een partijdeskundige aan de zijde van de vrouw, voor zover daarvoor nodig is dat hij als ouder toestemming aan de deskundige De Jong verleent om (een afschrift van de bij die deskundige berustende) ruwe testgegevens van de zoon voor dit doel ter beschikking te stellen aan prof. De Ruiter als partijdeskundige van de vrouw [23] .
belief perseverance bias). Het hof is op deze kwestie ingegaan met zijn overweging dat het standpunt van de vrouw dat de onderzoekers van het NIFP niet onafhankelijk en niet objectief en partijdig zijn, onvoldoende door haar is onderbouwd. Dit oordeel behoefde in het licht van de gedingstukken geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
coping-vaardigheden; volgens de vrouw heeft het hof de “volatiliteit van de man in stress-situaties” niet in zijn oordeel verdisconteerd. De toelichting op deze klacht verwijst naar bepaalde passages uit de verklaringen van de gehoorde deskundigen [26] .
beideouders contacten te kunnen onderhouden, is evenzeer in het belang van het kind te achten. Wanneer één ouder in de weg staat aan omgang tussen het kind en de andere ouder, terwijl die andere ouder ruimte biedt voor omgang met het kind door de eerstgenoemde ouder, kan de feitenrechter aan dit belang zoveel gewicht hechten dat per saldo het belang van het kind het beste gediend is met een hoofdverblijfplaats bij de ouder die daarvoor de meeste ruimte biedt. De periode die ten tijde van ’s hofs beslissing was verstreken na de beslissing in eerste aanleg was inderdaad kort, maar niet zo kort dat het hof op basis van de voorhanden informatie niet tot deze slotsom heeft
kunnenkomen. Onderdeel 3 leidt om deze redenen niet tot cassatie.