Conclusie
AFC AJAX N.V.,
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
- de rood-wit merken zijn anders dan de rechtbank meent beeldmerken en geen abstracte kleurcombinatiemerken, omdat de kleuren rood en wit in een concrete grafische voorstelling zijn aangebracht en deze merken zijn geldig, zodat de nietigverklaring wegens het niet voldoen aan de eisen voor kleurmerken en gebrek aan onderscheidend vermogen moet worden afgewezen; dat geldt ook voor de vervallenverklaring wegens
- de beeldmerken hebben evenwel een beperkte beschermingsomvang, die gerelateerd is aan de concrete grafische vormgeving ervan, te weten respectievelijk een rechthoekig vlak met daarop in het midden een (in een specifieke verhouding tot de flankerende witte vlakken) brede rode baan en (de voorzijde van) een wit shirt zonder kraag met korte mouw waarop een brede rode baan is aangebracht (rov. 3.3.2);
- het aangevallen vest
- Ajax kan het gebruik van een breed rood vlak op een wit kledingstuk niet monopoliseren en het is een derde in beginsel niet verboden dergelijke kledingstukken te verkopen, ook als daardoor een verband wordt gelegd met (de clubkleuren van) Ajax. Ook de drie (Andreas)kruizen en de aanduiding “Pride of Mokum” kunnen niet worden gemonopoliseerd en het algemene publiek zal die tekens, in combinatie met de aanduiding “AMSTERDAM” op de kledingstukken, in de eerste plaats associëren met de stad Amsterdam; ook de “A” in een “gekanteld” vierkant in het aangevallen vest, dat volgens Ajax een verwijzing naar hoofdsponsor Aegon zou zijn, maakt dit niet anders volgens het hof (rov. 3.4.3);
- het enkele voor commerciële doeleinden aanhaken bij de populariteit van een voetbalclub is niet ontoelaatbaar en dat is (in beginsel) niet anders als die club ook zelf zijn populariteit uitbaat door merchandisingartikelen op de markt te brengen (rov. 3.4.4);
- niet is gebleken dat Ajax eerder een sterk gelijkend vest op de markt heeft gebracht, zodat in zoverre geen sprake is van slaafse nabootsing (rov. 3.4.4);
- het nabootsen van (de combinatie van) onderscheidingsmiddelen/uiterlijke kenmerken kan onder omstandigheden onrechtmatig zijn, maar [verweerder] houdt voldoende afstand (m.n. door afwezigheid van het woord “Ajax” en van het logo in de vorm van een gestileerde kop van de mythologische Ajaxheld uit de Griekse Oudheid), zodat geen sprake is van misleiding van het relevante publiek (rov. 3.4.4);
- het feit dat op het etiket “fansport, fanwear for fans” en op het kaartje “official licensed products” staat en [verweerder] het vest rond en tijdens Ajaxwedstrijden bij het Ajaxstadion verkoopt, naast “officiële” Ajaxmerchandising, maakt dat niet anders (rov. 3.4.4);
- er is vanwege de verschillen tussen het aangevallen vest en Ajax’ eigen artikelen geen sprake van een serieuze bedreiging van het bedrijfsdebiet van Ajax, nu het een souvenir betreft dat vooral naar de stad Amsterdam verwijst en dat brengt degenen die op zoek zijn naar een Ajax-souvenir naar verwachting niet in verwarring en er is ook geen sprake van reputatieschade voor Ajax (rov. 3.4.4).
eerste griefvan Ajax oordeelt het hof als volgt. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de door Ajax ingeschreven rood-wit beeldmerken rechtsgeldig zijn. Het gaat hier – zoals Ajax terecht aanvoert – immers niet om abstracte kleurcombinatiemerken maar om de kleuren rood en wit aangebracht in een concrete grafische voorstelling waardoor aan de eisen van artikel 2.1 lid 1 BVIE is voldaan. De grief slaagt in zoverre en de door [verweerder] in reconventie gevorderde nietigverklaring van de rood-wit merken (gebaseerd op het ontbreken van onderscheidend vermogen en het niet voldoen aan de strenge eisen die voor de registratie van kleurmerken gelden) zal daarom alsnog worden afgewezen.
tweede griefvan Ajax en de
grieven I en IIin het incidenteel appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze hebben kort gezegd betrekking op de vraag of het vest zodanige verwarringwekkende gelijkenis vertoont met de merchandising producten van Ajax dat het op de markt brengen daarvan, mede gelet op de omstandigheden waaronder dit plaatsvindt, als onrechtmatig jegens Ajax moet worden beschouwd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
beschermingsomvangvan de rood-wit merken heeft bepaald in de eerste twee volzinnen van deze rechtsoverweging:
non-inbreukoordeelin de twee daarop volgende volzinnen van die overweging (aangezien het hof volgens de klacht onder randnummers 2 en 3 de voor merkinbreuk geldende normen uit de Europese merkenrechtspraak [10] niet toepast en uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting daarover).
Onderdeel IIis tegen dit non-inbreukoordeel gericht met de tweeledige rechtsklacht dat dit oordeel uitsluitend is gestoeld op door het hof aangenomen gebrek aan
overeenstemmingen niet op het in de Europese merkenrechtspraak vereiste globaal te beoordelen
verwarringsgevaar(randnummer 22), en, nu beroep is gedaan door Ajax op bekendheid van de ingeroepen merken en de daarmee gemoeide ruimere bescherming, bovendien het globaal te beoordelen
verbanddat consumenten kunnen leggen tussen de ingeroepen merken en de gewraakte vesten, waarbij ook geen aandacht is besteed aan het eerder moeten aannemen van zo’n verband bij een (door Ajax gestelde) grote(re) onderscheidingskracht van de ingeroepen merken. De derde en vierde volzin van rov. 3.3.2 luiden zo:
derhalveniet als daarop inbreukmakend kan worden beschouwd”, punt. De enige motivering is dus: geen “voldoende gelijkenis” [11] .
overeenstemming sec, terwijl het hof klaarblijkelijk niet vindt dat er helemaal geen overeenstemming is (er is alleen geen “voldoende gelijkenis”), zonder daarbij de overige voor een inbreukbeoordeling relevante factoren te betrekken, met name zonder kenbaar acht te slaan op het onderscheidend vermogen en de bekendheid van de merken en de omstandigheid dat ook het feitelijk gebruik van het merk in ogenschouw moet worden genomen bij de globale beoordeling van de totaalindruk voor verwarringsgevaar “sub b” en verband “sub c”. En dat is wel wat in de Europese merkenrechtspraak voorop staat. Daarom kan het merkenrechtelijke deel van de uitspraak niet in stand blijven. Er dient na verwijzing een merkenrechtelijke herbeoordeling te komen waarin wel alle relevante voor inbreuk in de Europese rechtspraak ontwikkelde factoren dienen te worden betrokken.
nietop dat het hof in rov. 3.3.2 deze algemene maatstaf heeft gehanteerd en sta daar geloof ik niet alleen in [18] . Wellicht is rov. 3.3.2 ook in die zin mager gemotiveerd, maar ik meen dat deze klachten zijn gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest en dus feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak missen. Dat de beschermingsomvang van een beeldmerk aan de concrete grafische voorstelling daarvan is gerelateerd, kun je ook lezen als dat het van belang is hoe het beeldmerk eruit ziet en dat klopt op zichzelf (maar is niet louter beslissend; het is uitgangspunt, zoals Ajax dat in randnummer 10 kwalificeert). Dat de ingeroepen beeldmerken niet ieder wit kledingstuk met aan de voorzijde een brede rode baan kunnen tegenhouden, is op zichzelf genomen ook niet onjuist – Ajax merkt bij s.t. in voetnoot 4 overigens terecht op dat zij dat ook helemaal niet betoogt – maar de stijlfiguur van overdrijving wordt wel vaker gehanteerd in argumentatie en is hier kennelijk gehanteerd om aan te geven dat de beschermingsomvang die Ajax aan haar beeldmerken wenst te geven in deze zaak naar het oordeel van het hof te ver gaat. Meer of anders lees ik daar niet in.
helemaal geensprake is van overeenstemming, hoe gering ook (randnummer 30); vgl. punt 66 van dit arrest: de verwarrings- of verbandstoets blijft achterwege als (de corresponderende merken, bij ons dus:) beeldmerken en vesten “in geen enkel opzicht overeenstemmen”. Maar als de ingeroepen merken en aangevallen vesten “een zekere, zelfs geringe, mate van overeenstemming vertonen, dient de rechter een globale beoordeling te verrichten om uit te maken of, niettegenstaande de geringe mate van overeenstemming tussen (…) [de ingeroepen merken en aangevallen vesten], het betrokken publiek deze merken [en de vesten] met elkaar kan verwarren of een verband tussen deze merken [en vesten] legt, omdat er andere relevante factoren, zoals de algemene bekendheid of reputatie van (…) [de aanvallende] merk[en] bestaan.” Randnummer 32 van de cassatiedagvaarding noemt dit compensatie van een geringe mate van overeenstemming door groot onderscheidend vermogen en bekendheid. Ik lees het begrippenpaar “niet voldoende gelijkenis” en “geen relevante overeenstemming” uit rov. 3.3.2, net als Ajax, als: wel
enigeovereenstemming, althans niet als: helemaal geen enkele overeenstemming, hoe gering ook. In dit verband wijs ik op de uitleg die Cohen Jehoram [20] al voorafgaand aan Ferrero hieraan gaf:
nodeloosverwarring wordt gesticht. Deze leer is in het drukasbakarrest [23] doorgetrokken naar gevallen waarbij de navolging niet technisch is, maar de vorm, afmeting, kleur en tekening van andermans product betreft. Er moet dan wel sprake zijn van onderscheidend vermogen van het nagevolgde product, maar daarvoor is niet vereist dat het nagevolgde product zelf is ontworpen of oorspronkelijk is [24] . Ik wijs nog op HR 22 november 1974 [25] , waarin is uitgemaakt dat bij bewust nabootsen van producten niet behoeft te worden onderzocht of dergelijke producten al op de markt waren, toen de nagebootste met zijn product op de markt kwam. In een aantal arresten is ook de vraag aan de orde geweest in hoeverre compatibiliteit een rol kan spelen bij de vraag of nabootsing al dan niet door de beugel van de maatschappelijke betamelijkheid kan [26] en in hoeverre het nabootsen van een stijl (en niet een concreet product/exemplaar dat de oorspronkelijk maker op grond van die stijl heeft gemaakt) onrechtmatige slaafse nabootsing kan opleveren. [27] Dat laatste lijkt met name van belang voor de onderhavige kwestie.
bijkomende omstandighedenwel onrechtmatig kan zijn (overigens zonder daar nadere criteria voor te geven). Daarvoor is echter niet genoeg dat de nabootsing
nodeloosis en
verwarringwekt bij het publiek (hetgeen bij slaafse nabootsing nu juist de kern vormt). Dat gaat dus een stap verder dan bij de klassieke slaafse nabootsing van producten. Uw raad overwoog in rov. 3.5-3.6:
subsidiairvoorgesteld). In een dergelijke situatie ligt mijns inziens een parallel met de [A/B] leer voor de hand, zoals ik hierna zal uitwerken.
onderdelen III, IV, V, VII en VIIIover de beweerdelijk door het hof toegepaste slaafse nabootsingsleer slagen zo bezien niet, omdat zij zijn gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest.
nodeloos verwarringstichten uit de slaafse nabootsingsleer, maar als je de gewraakte overwegingen van het hof opvat in de sleutel van stijlnabootsing, dan is duidelijk dat in [A/B] nu juist is uitgemaakt dat precies die twee aspecten – nodeloos nabootsen en verwarring stichten –
niettoereikend zijn om tot onrechtmatigheid te komen, omdat daarvoor meer nodig is. Welke omstandigheden daarbij mee kunnen wegen en hoe dat in een concreet geval uitpakt, is in [A/B] niet uitgewerkt. Het is voor de hand liggend dat deze toets moet plaatsvinden op grond van de concrete omstandigheden van het voorliggende geval (zoals het hof heeft gedaan) en dat is dan vervolgens natuurlijk in belangrijke mate een feitelijke kwestie, die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Voor zover Ajax ook motiveringsklachten tegen deze oordelen heeft gericht, worden die hierna nog aangeroerd.
onderdeel IIInog klaagt dat het hof in rov. 3.4.3 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bepaalde kenmerken (het gebruik van een breed rood vlak op een wit kledingstuk, het gebruik van de drie (Andreas)kruizen en de aanduiding “Pride of Mokum”) uit te sluiten van de beoordeling [37] , meen ik dat deze klacht nog om een andere reden is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat deze kenmerken helemaal zouden moeten worden uitgesloten van de beoordeling, maar slechts dat Ajax deze kenmerken (op zichzelf staand) niet kan monopoliseren. Ten overvloede merk ik nog op dat Ajax in randnummer 50 naar mij voorkomt de slaafse nabootsingsleer veel te eng trekt en ik acht dat rechtens onjuist. Naast de omstandigheid dat deze klacht niet “raakt” zoals hiervoor uiteengezet, gaat het er bij slaafse nabootsing niet om dat “een nagebootst
kenmerk van een productvastgesteld (moet)(…) worden” en vervolgens “of met betrekking tot
dat kenmerk(“op dat punt”) evengoed een andere weg ingeslagen had kunnen worden zonder afbreuk te doen aan deugdelijkheid en bruikbaarheid en of door dat na te laten verwarring wordt gesticht” (cursivering A-G). Dat is een te detaillistische “kenmerken”-benadering die volgens mij geen onderdeel vormt van de slaafse nabootsingsleer. Het gaat bij slaafse nabootsing om het product als geheel.
onderdeel IVklaagt dat de laatste volzin van rov. 3.4.3 onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk is, [38] dient het ook te falen. In die zin oordeelt het hof dat de in een gekantelde vierhoek geplaatste hoofdletter A, waarmee een verband met Aegon, de hoofdsponsor van Ajax, zou worden gelegd, niet maakt dat het uiterlijk van dat vest van [verweerder] daarmee een zodanig verwarringwekkende gelijkenis vertoont met Ajaxproducten dat dit ongeoorloofde misleiding oplevert. De gedachtegang van het hof is denk ik goed te volgen en niet onjuist of onbegrijpelijk. Anders dan het onderdeel veronderstelt, stoelt deze passage ook niet op de slaafse nabootsingsleer. Het hof heeft gemeend dat dat kenmerk niet zodanig bijdraagt aan de gelijkenis van de bestreden vesten met de stijlkenmerken van Ajax, dat sprake is van onrechtmatigheid. Dat is overigens een feitelijke afweging die zich niet leent voor herbeoordeling in cassatie, waar dit onderdeel in feite toe uitnodigt.
onderdeel IV(in randnummer 59) betoogt, ligt in het oordeel van het hof over de in het vierkant geplaatste letter A niet het oordeel besloten dat [verweerder] al het mogelijke heeft gedaan om verwarring te voorkomen, zodat de klacht dat dat oordeel onbegrijpelijk zou zijn, ook is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof hoefde ook niet te toetsten of [verweerder] al het mogelijke heeft gedaan om verwarring te voorkomen; dat is een element van de slaafse nabootsingsleer en daar gaat deze overweging niet over.
hooded sweatersmede rond en tijdens Ajaxwedstrijden bij de Arena verkoopt in een kar, waarin hij ook officiële Ajaxmerchandisingproducten aanbiedt, onvoldoende zijn om anders te oordelen (
sc.(en dat laat Ajax na te vermelden in deze klacht) dan het oordeel dat [verweerder] voldoende afstand houdt en dat van misleiding van het in originele Ajax-souvenirs geïnteresseerde publiek geen sprake is). Dat oordeel is volgens onderdeel VI onbegrijpelijk, omdat het geen inzicht geeft in de eraan ten grondslag liggende overwegingen. [39] Die klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof volgens mij wel degelijk inzicht geeft in zijn afweging. Het heeft daaraan voorafgaand namelijk overwogen dat [verweerder] voldoende afstand houdt, doordat de naam Ajax en de gestileerde kop van de mythologische held Ajax ontbreken. In dat oordeel ligt onmiskenbaar besloten dat hierdoor (voor het geïnteresseerde voetbalfanpubliek) duidelijk zal zijn dat het
nietom originele Ajaxmerchandising gaat, want daar staat wel één van twee of beide “Ajax”-elementen op. Dat oordeel moet ook worden gelezen in het licht van de overweging van het hof dat de versierselen op het vest eerder naar de stad Amsterdam lijken te verwijzen dan naar Ajax (waarover onderdeel VII overigens een klacht formuleert, die hierna aan de orde komt). Voor zover meer in het algemeen is bedoeld te klagen dat die afweging onbegrijpelijk is, merk ik dit op. Persoonlijk vind ik als gezegd met name de vermeldingen op het prijskaartje en het neklabel en de verkoop samen met officiële Ajaxmerchandising bij het thuisstadion rond wedstrijden nogal sterke aanwijzingen dat de suggestie wordt gewekt van officiële Ajaxmerchandising. Het hof heeft echter, op basis van de feitelijke behandeling, maar wel met meeweging van al deze factoren, anders geoordeeld. Een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. In het licht van de overwegingen van het hof vindt ik het oordeel zeker niet cassatie-technisch onbegrijpelijk.
onderdeel VInog klaagt dat, in het licht van de aanduidingen op neklabel en prijskaartje, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is dat [verweerder] al het mogelijke heeft gedaan om verwarring te voorkomen, welk oordeel in het oordeel van het hof besloten zou liggen, [40] geldt
mutatis mutandishetgeen ik hiervoor over onderdeel IV, randnummer 59 heb opgemerkt in 3.28.
onderdeel VII, randnummer 68, dat het oordeel van het hof in rov. 3.4.4 dat de op het vest aangebrachte versierselen vooral naar de stad Amsterdam verwijzen en verwarring “daarom uitgesloten is”, onbegrijpelijk is in het licht van de aanduidingen op het neklabel en het prijskaartje, dient ook te falen. In de eerste plaats heeft het hof daar niet geoordeeld dat verwarring uitgesloten zou zijn, maar dat “niet verwacht kan worden” dat de versierselen tot verwarring leiden en dat is iets anders. Voor het overige geldt ook hier dat sprake is van een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op juistheid getoetst kan worden. Onbegrijpelijk acht ik het niet, zoals hiervoor met betrekking tot onderdeel VI al uiteen is gezet. Dat er elementen zijn die inderdaad een verwijzing naar Ajax inhouden, neemt niet weg dat het hof over de vesten als geheel, met alle versierselen en vormgevingselementen, heeft kunnen oordelen dat die vooral naar de stad Amsterdam verwijzen. Het gaat de perken van de cassatietoets te buiten dat in deze instantie opnieuw te beoordelen.