Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
feitelijkehandelingen te verrichten (zie onder B onder 4), maar geen mandaat tot het nemen van een procesbesluit, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dit vereiste, althans is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. Volgens de toelichting op deze klacht heeft het hof zijn motivering beperkt tot beantwoording van de vraag of een verhaalsbesluit is genomen.
mandaatwordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (art. 10:1 Awb Pro). Naast het mandaat bestaan twee andere soorten bestuurshandelingen die als ‘machtiging’ kunnen worden gekwalificeerd, te weten: de
volmachttot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling [15] en de
machtiging (in enge zin)tot het verrichten van handelingen van feitelijke aard [16] . Op grond van art. 10:12 Awb Pro is de mandaatregeling in de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing op de volmacht en op de machtiging in enge zin. De achtergrond hiervan is de gedachte dat in de praktijk dikwijls geen onderscheid wordt gemaakt tussen mandaat- en volmachtverlening aan ondergeschikten [17] . Een mandaatgever kan toestaan dat ondermandaat wordt verleend. Op ondermandaat is de mandaatsregeling in de Awb van overeenkomstige toepassing (zie art. 10:9 Awb Pro).