ECLI:NL:HR:2003:AF2834
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang van bijstandsvordering door gemeente
De Gemeente heeft bij beschikking van 5 februari 1999 een bedrag van ƒ 12.658,17 aan bijstand teruggevorderd van eiser, betrekking hebbend op de periode van 16 juli 1996 tot 1 januari 1998. Eiser heeft tegen dit besluit verzet aangetekend, maar dit is in twee instanties afgewezen. Na betekening van de verhaalsbeschikking en het uitblijven van betaling, heeft de sociale dienst van de Gemeente de President van de Rechtbank verzocht om verlof tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang.
De President heeft dit verlof bij vonnis van 5 april 2001 verleend voor een duur van maximaal drie maanden totdat het bedrag met rente was voldaan. Eiser stelde beroep in cassatie tegen dit vonnis. Hij voerde onder meer aan dat de rechter ambtshalve had moeten onderzoeken of de Gemeente bevoegd was om te procederen, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit niet verplicht is en dat deze klacht niet in cassatie kan worden behandeld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het verlof tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang. Tevens werd eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest bevestigt de mogelijkheid voor gemeenten om bij niet-betaling van terugvorderingen uit hoofde van de Algemene bijstandswet via de rechter lijfsdwang te laten toepassen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het verlof tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang van de bijstandsvordering door de gemeente.