Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het verzoek om een rechtspsycholoog als deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar en te rapporteren over de betrouwbaarheid van de verklaringen afgelegd door medeverdachte [medeverdachte], ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.
“Beoordeling van een (voorwaardelijk) verzoek
tweede middelklaagt over het gebruik tot het bewijs van de verklaringen van de ‘medeverdachte’ [medeverdachte]. Het
derde middelklaagt over schending van de ‘unus testis’-regel van artikel 342, tweede lid, Sv. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Ten eerstewordt gesteld dat Uw Raad dient terug te komen van vaste rechtspraak omtrent art. 341, derde lid, Sv, waaruit volgt dat de verklaringen van een verdachte alleen ‘te zijnen aanzien’ kunnen gelden. Door deze verklaringen wel tot het bewijs te bezigen, heeft het hof gehandeld in strijd met art. 341, derde lid, Sv, aldus het middel. Voorts wordt betoogd dat de nadere overweging van het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] geen blijk geeft van een kritische grondhouding ten opzichte van verklaringen van een medeverdachte die er evident belang blij heeft ‘zijn eigen stoepje schoon te vegen’. Een verklaring van een medeverdachte is per definitie niet betrouwbaar, tenzij er voldoende steunbewijs is, zo luidt de stelling.
tweede middelbehelst
ten tweedede klacht dat de overweging van het hof dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal en dat het scenario van de verdachte onverenigbaar is met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet het bezwaar wegnemen dat de bewijsconstructie in doorslaggevende mate steunt op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]. Niet uitgesloten is dat de medeverdachte [medeverdachte] zelf de handelingen heeft gepleegd waarvan hij verklaart dat de verdachte die heeft gedaan. Het
derde middelbevat in de kern dezelfde klacht, onder verwijzing naar het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv.
“De ondersteuning van de verklaringen van [medeverdachte]
Het scenario van verdachte
dat het verweer moet worden verworpen dat de verklaringen van de getuigen van het bewijs uitgesloten dienen te worden omdat sprake is van één bron” tot uitdrukking gebracht dat de door [medeverdachte] gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en voldoende steun vinden in bewijsmateriaal uit ander bron. Daartoe heeft het hof overwogen dat: