Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
16 januari 2014inzake:
1.Overzicht
mogelijkzijn geweest (door voeging van de tussenhoudsters), terwijl zij in belanghebbendes situatie in geen geval tot stand kan komen. De belanghebbende wijst op het arrest van het HvJ EU in de zaak C-418/07,
Papillon.
Papillon(over de Franse
intégration fiscale) heeft het HvJ EU arrest gewezen in zaak C-337/08,
X Holding BV, over de Nederlandse fiscale eenheid. Hij oordeelde dat de keuze die de belanghebbende in casu wordt onthouden (voeging van haar EU-tussenhoudsters) niet op grond van EU-recht geboden hoeft te worden: de beperking van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime tot vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn (of aldaar een vaste inrichting hebben), is weliswaar een beperking van de vestigingsvrijheid, maar wordt gerechtvaardigd door de noodzaak tot evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid, misbruikbestrijding en voorkoming van dubbele verliesverrekening. De enige ongelijke behandeling ten opzichte van de interne situatie die in casu bestaat, is dus gerechtvaardigd. Daar komt bij dat de belanghebbende
nietheeft verzocht de keuze te mogen maken die haar wordt onthouden in vergelijking met een intern geval. Zij heeft immers niet verzocht om een behandeling die gelijk is aan die in het vergelijkbare interne geval, maar om een gunstiger behandeling, nl. om een voeging die in een vergelijkbaar intern geval niet mogelijk is, hetgeen op gespannen voet staat met het Twaalfde protocol EVRM en daarmee met de artt. 20 en 21 EU-Handvest van de grondrechten.
Papillonmeebrengt dat in een grensoverschrijdend geval een dergelijke begunstigende behandeling moet worden verleend of dat het posterieure
X Holding BV-arrest impliceert dat dat niet het geval is. Daarover waren mijns inziens prejudicieel vragen aan het HvJ EU te stellen in aanvulling op de reeds bij dat Hof aanhangige vragen in de door het Hof Amsterdam verwezen zaken C-39/13,
SCA Group Holding, C-40/13,
X. AG e.a.,en C-41/13,
MSA International Holdings.
haaraandeelhouders. Zij stelt kennelijk - en kennelijk namens haar Nederlandse kleindochters - dat dezen gediscrimineerd worden op grond van de vestigingsplaats van
hunaandeelhouders (de tussenhoudsters). Veronderstellende dat zij in deze procedure haar kleindochters op dit punt kan vertegenwoordigen, meen ik dat haar stelling ongegrond is. De ingeroepen nondiscriminatiebepalingen
ratione personaezijn mijns inziens niet van toepassing. De kleindochters wordt de mogelijkheid tot voeging met de belanghebbende niet onthouden op grond van het
inwonerschapvan de tussenhoudsters, maar op grond van de
niet-onderworpenheidvan die tussenhoudsters in Nederland. Indien de tussenhoudsters in Nederland een vaste inrichting zouden hebben onderhouden waaraan het aandelenbezit in de kleindochters toe te rekenen zou zijn geweest, dan was de gewenste consolidatie wél mogelijk geweest, hoewel beide tussenhoudsters nog steeds
inwonervan Spanje resp. Griekenland zouden zijn geweest.
Committee on fiscal affairsniet. Het is daarmee mijns inziens volstrekt onwaarschijnlijk dat de OESO-Commentatoren zouden hebben gewild dat art. 24(5) OESO-Model zou kunnen dienen om - in strijd met nationaal recht en in privilegiërende afwijking van de vergelijkbare interne situatie - een voeging tussen een binnenlandse grootmoeder en kleindochter af te dwingen door simpel een tussenhoudster in het andere verdragsland te organiseren. Daar komt nog bij dat de belanghebbende helemaal geen gebruik wenst te maken van de keuze tegen het ontbreken waarvan zij zich verzet.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Papillon [1] , welke zaak zij vergelijkbaar acht met de hare. Volgens de Inspecteur wordt het VwEU niet geactiveerd omdat belanghebbendes geval een geheel interne situatie betreft. Voorts schendt art. 15 Wet Pro Vpb zijns inziens de vrijheid van vestiging niet omdat de Nederlandse wet geen onderscheid maakt naar oprichtingsrecht of vestigingsplaats van niet-gevoegde tussenhoudsters: waar de tussenhoudster ook is gevestigd, een kleindochter kan nooit gevoegd worden als de tussenhoudster niet gevoegd wordt. Als al sprake zou zijn van onderscheid, dan is het gerechtvaardigd en proportioneel in verband met de gevaren van misbruik en dubbele verliesaftrek.
X Holding, [2] dat art. 15(2) en (3)(c) Wet Vpb leidt tot in beginsel verboden ongelijke behandeling op grond van de plaats van de zetel van de tussenhoudsters:
Papillonen
X Holdingheeft de Rechtbank vervolgens onderzocht of een rechtvaardiging bestaat voor de geconstateerde ongelijke behandeling en zo ja, of de Nederlandse regels in het licht daarvan geschikt en proportioneel zijn. Zij achtte het gevaar van bilaterale dubbele verliesverrekening een toereikende rechtvaardiging voor weigering van een fiscale eenheid. Zij overwoog voorts (r.o. 2.21) dat als de in art. 15(2) en (3) Wet Vpb gestelde voorwaarden disproportioneel zouden zijn, het niet aan de rechter zou zijn om rechtsherstel te bieden, maar het aan de wetgever zou zijn om een regeling te ontwerpen die wel aan de communautaire vereisten zou voldoen:
3.Het geding in cassatie
4.De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting
De EU-vestigingsvrijheid, grensoverschrijdende concernstructuren en fiscale integratie van resultaten van concernvennootschappen
Marks & Spencer II [12] van het HvJ EU hield in dat opzicht een zekere geruststelling in: het Verenigd Koninkrijk hoefde zijn binnenlandse intraconcern-verliesoverdrachtstelsel (
group relief) niet op grond van de EU-vestigingsvrijheid toe te passen op verliezen van niet in het VK gevestigde dochtervennootschappen. Alleen indien een buitenlandse dochter met verlies is geliquideerd of anderszins vast staat dat haar verliezen niet meer afgetrokken zullen kunnen worden in de jurisdictie waar zij ontstaan zijn (‘no possibilities’), is de thuisjurisdictie van het concern verplicht om die definitieve dochterverliezen te importeren. Sindsdien wordt voor de Britse belastingrechter – en ook voor het HvJ EU [13] – geprocedeerd over de vraag wat deze
no possibilitiestest inhoudt en of de daaraan aangepaste Britse wetgeving op dat punt niet nog steeds te beperkend is.
Société Papillon, [14] over het Franse
intégration fiscaleregime. Dat regime maakt het mogelijk de resultaten van minstens 95%-dochtervennootschappen fiscaal te integreren in die van hun moeder en bepaalde intercompany-verhoudingen en –transacties fiscaal uit te schakelen. Hoewel dat regime verder gaat dan de Britse
group relief, die slechts handel in verliezen binnen concerns en zelfs tussen concerns en consortia inhoudt en waarin het verhandelde verlies niet over een ononderbroken keten van vennootschappen loopt (maar rechtstreeks ‘verkocht’ kan worden aan enige groepsvennootschap met winst, al is wel verbondenheid vereist), wijkt ook het Franse systeem op belangrijke punten af van de Nederlandse facultatieve volledige fiscale consolidatie van moeder en dochters tot één belastingplichtige. Het Franse systeem is met name veel minder flexibel omdat onder meer vereist is dat een
intégrationminstens vijf jaar wordt voortgezet (met
recapturesancties) en dat alleen de hoogst in de
corporate treegeplaatste in Frankrijk gevestigde vennootschap als consolidatiepunt kan dienen.
Papillonde weigering van resultaatsintegratie tussen een Franse kleindochter en een Franse grootmoeder wegens tussenligging van een niet in Frankrijk – maar in Nederland - gevestigde tussenhoudster in beginsel in strijd met de vrijheid van vestiging. Indien de tussenhoudster in Frankrijk gevestigd zou zijn geweest, was de beoogde
intégrationweliswaar evenmin mogelijk geweest zonder de tussenhoudster daarin te betrekken, maar in dat geval was integratie van de tussenhoudster wel
mogelijkgeweest; een buitenlandse tussenhoudster kon hoe dan ook niet geïntegreerd worden. In het licht van het doel van de
intégration fiscale(binnenlandse resultatenintegratie binnen een geïntegreerd concern) achtte het HvJ de situatie van een in Frankrijk gevestigde grootmoeder en kleindochter waarbij de laatste wordt gehouden door een eveneens in Frankrijk gevestigde tussenhoudster niet onvergelijkbaar met de situatie van een in Frankrijk gevestigde grootmoeder en kleindochter waarbij de laatste wordt gehouden door een in een andere lidstaat gevestigde tussenhoudster:
Société Papillonde resultaten van haar (Nederlandse) tussenhoudster
nietwilde mee-integreren: zij verzocht om een resultaatsintegratie die in een puur binnenlandse situatie evenmin mogelijk was, nl. integratie van de resultaten van kleindochter en grootmoeder
zondertussenhoudster-resultaten. Het HvJ EU vergeleek
Société Papillon’s situatie dus met een onbestaanbare binnenlandsituatie. Wellicht om die reden twijfelt het Gerechtshof Amsterdam over de vraag welke de juiste vergelijkingsmaatstaf is die in
Papillon-achtige gevallen aangelegd moet worden bij de beoordeling van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime: het Hof Amsterdam heeft over die vergelijkingsmaatstaf in de bij het HvJ EU aanhangige gevoegde zaken C-39/13,
SCA Group Holding, C-40/13,
X. AG e.a.,en C-41/13,
MSA International Holdings, onder meer de volgende prejudiciële vraag gesteld: [15]
Papillonblijkt mijns inziens dat het eerste cassatiemiddel van onze belanghebbende gegrond is: haar situatie is geen interne situatie, maar juist grensoverschrijdend als gevolg van haar secundaire vestiging in Spaanse en Griekse tussenhoudsters, die zich weer secundair in Nederland hebben gevestigd in Nederlandse kleindochters. Toegang tot de EU-verkeersvrijheden is daarmee gegeven en het oordeel van het Hof Den Haag is op dat punt dus onjuist.
Papillonvervolgens onderzocht of een rechtvaardiging bestond voor de door hem bevonden ongelijke behandeling van de grensoverschrijdende situatie. Frankrijk wees op het gevaar van dubbele unilaterale verliesverrekening (dubbele verliesverrekening binnen de Franse jurisdictie), zulks in strijd met de fiscale coherentie, nl. éénmaal bij de moeder door de
intégrationen nogmaals bij de moeder doordat zij haar deelneming in de tussenhoudster zou kunnen afwaarderen. De interveniërende lidstaten Duitsland en Nederland wezen op de noodzaak om evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven en om belastingontwijking tegen te gaan; rechtvaardigingsgronden die aanvaard zijn in de genoemde zaak
Marks & Spencer IIbij intraconcern-verlieshandel en in de latere zaak
Oy AA [16] bij spiegelbeeldige intraconcern-winstoverheveling (
group contribution). Het HvJ EU zag echter geen relevant verband met die twee zaken, nu die over grensoverschrijdende resultaatoverheveling gingen, terwijl het in
Papillonging om binnen één jurisdictie ontstane resultaten van grootmoeder en kleindochter. Wel erkende hij dat verstoring van de coherentie van het Franse heffingsstelsel mogelijk was door dubbele binnenlandse verliesverrekening, maar categorische uitsluiting van resultaatsintegratie tussen grootmoeder en kleindochter op grond van niet-ingezetenschap van de tussenhoudster achtte hij disproportioneel omdat tegenbewijs door informatieverstrekking mogelijk moest zijn:
intégration fiscale-systeem de integratie van positieve en negatieve
binnenlandseresultaten van ingezeten concernvennootschapsresultaten niet, althans niet categorisch, uitgesloten mag worden uitsluitend wegens aanwezigheid van een of meer niet-ingezeten concernvennootschappen; integratie van de binnenlandse resultaten van de ingezeten groepsvennootschappen mag in geval van een grensoverschrijdende concernstructuur slechts uitgesloten worden als die integratie als gevolg van die grensoverschrijdende concernstructuur reëel gevaar van grondslaguitholling oplevert, met name door dubbele
binnenlandseverliesneming via het grensoverschrijdende element in de concernstructuur. Dat is op zichzelf geen verrassende uitkomst, gezien ’s Hofs eerdere arresten in de zaken C-141/99,
AMID, [17] C-250/95,
Futura Participations, [18] C-264/96,
ICI v Colmer, [19] en C-431/01,
Mertens. [20] Al die zaken betroffen de weigering van verrekening van positieve en negatieve
binnenlandseresultaten wegens de aanwezigheid van een grensoverschrijdend element. Een vergelijkbare benadering vertoont ook ‘s Hofs latere arrest in de zaak C-18/11,
Philips Electronics, [21] over de Britse weigering van verrekening van een
Britsvaste-inrichtingsverlies van een Nederlandse concernvennootschap met
Britsewinst van een Britse concernvennootschap.
Marks & Spencer IIen
Oy AA, alsmede de zaken C-337/08,
X Holding BV, [22] en C-123/11,
A Oy. [23] Al die zaken betroffen (pogingen tot) grensoverschrijdende resultatenintegratie tussen concernvennootschappen uit
verschillendeLidstaten. Uit die zaken blijkt dat de lidstaten
grensoverschrijdenderesultaatsintegratie tussen groepsvennootschappen (categorisch) mogen uitsluiten wegens (abstract) gevaar van verstoring van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid, internationale dubbele verliesaftrek en/of misbruik. Dat is slechts anders, zoals boven bleek, als een verlies van een groepsvennootschap definitief niet meer gecompenseerd zal kunnen worden in de jurisdictie waar het is geleden; alsdan moet dat definitieve verlies in de andere jurisdictie verrekend worden alsof het een aldaar geleden groepsvennootschapsverlies zou zijn. Aan dit rijtje arresten over grensoverschrijdende resultaatsintegratie tussen verbonden
vennootschappenin verschillende lidstaten kunnen toegevoegd worden twee arresten over (niet-)import in de hoofdhuisstaat van verliezen van een
vaste inrichtingin een andere Lidstaat: de zaken C-414/06,
Lidl Belgium, [24] en C‑157/07,
Krankenheim Ruhesitz. [25] Ook uit die zaken blijkt dat de Lidstaten
grensoverschrijdendeintra-concern resultaten-
poolingin beginsel niet hoeven toe te staan. [26]
dezelfdejurisdictie zijn ontstaan, en die geweigerd wordt (louter) omdat het concern (ook) groepsvennootschappen in andere EU-lidstaten heeft, en (ii) fiscale integratie van resultaten van (groeps-)vennootschappen die in
verschillendejurisdicties zijn ontstaan. Ter zake van de eerste groep is ongelijke behandeling op grond van de aanwezigheid van een buitenlandaspect in beginsel verboden, behoudens concreet gevaar voor
double dipsof (ander) misbruik. In deze gevallen moet minstens tegenbewijs toegelaten zijn. Ter zake van de tweede groep is het andersom: daar is de hoofdregel dat grensoverschrijdende resultaatsintegratie - die in puur interne situaties wél toegepast zou worden - in beginsel (in abstracto) geweigerd mag worden, met als uitzondering het geval van definitieve verliezen van een (geliquideerde) groepsvennootschap in de andere jurisdictie. In de hieronder (5.12) geciteerde r.o. 25 en 26 van de genoemde zaak C-18/11,
Philips Electronics, maakt het HvJ EU het onderscheid tussen deze twee categorieën gevallen met zoveel woorden.
X Holding BV, [27] betrof een geval uit de tweede in 5.9 genoemde categorie, nl. grensoverschrijdende fiscale consolidatie. Een Nederlandse vennootschap wilde een fiscale eenheid aangaan met haar Belgische dochtervennootschap. Het HvJ achtte deze grensoverschrijdende situatie op basis van de ratio van de regeling weliswaar vergelijkbaar met een puur binnenlandse moeder-dochter-verhouding, maar achtte de Nederlandse weigering van consolidatie niettemin gerechtvaardigd:
X Holding BVopmaakt dat (ook) het HvJ EU het fiscale-eenheidsregime als één
package dealziet waaruit geen separate
cherriesgeplukt kunnen worden, zodat niet
per aspectvan de fiscale eenheid getoetst wordt of weigering van voeging gerechtvaardigd en proportioneel is. Het is alles of niets:
Philips Electronics [29] betrof een geval uit de eerste in 5.9 genoemde categorie (integratie van resultaten van concernonderdelen die alle binnen één fiscale jurisdictie zijn ontstaan). Het ging om een in Nederland gevestigde vennootschap met een verlieslatende vaste inrichting (v.i.) in het Verenigd Koninkrijk (VK). Het concern waartoe de Nederlandse vennootschap behoorde, wilde haar Britse v.i.-verlies volgens de Britse
group reliefregels overdragen aan een winstgevende Britse dochtervennootschap van de Nederlandse vennootschap. Dat was niet toegestaan omdat niet verzekerd was dat het Britse v.i.-verlies niet ook elders (bijvoorbeeld in Nederland) ten laste van de belastbare winst zou worden gebracht. Een dergelijke beperking werd niet gesteld in geval van verliezen van een ingezeten vennootschap. Het HvJ achtte verliezen geleden door een in het VK gelegen vaste inrichting van een niet-ingezeten vennootschap objectief vergelijkbaar met verliezen van een ingezeten vennootschap (r.o. 19). Hij aanvaardde niet de noodzaken van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid en voorkoming van internationale dubbele verliesverrekening als rechtvaardiging voor de ongunstige extra voorwaarde in de v.i.-situatie, vooral niet omdat mogelijke aftrek van het v.i.-verlies in Nederland (die overigens in beginsel ingehaald wordt bij latere v.i.-winsten) geen beperking inhoudt van de Britse heffingsbevoegdheid:
Papillonmeent zij dat de Nederlandse beperking van de fiscale eenheid tot ononderbroken vennootschapsketens het VwEU en het EER schendt: [31]
Papillonverwijst, maar in haar persbericht alleen de in die zaak
nietbeoordeelde behandeling wraakt van twee binnenlandse
zustervennootschappen met een gemene buitenlandse moeder. De Nederlandse regering heeft de Commissie laten weten dat zij het niet met de Commissie eens is en geen initiatieven zal nemen tot wetswijziging. Voor zover mij bekend, heeft de Commissie vooralsnog geen verdere actie ondernomen. [32]
Felixtowe, opnieuw over het Britse systeem van groepsaftrek (verliesoverheveling binnen concerns en consortia). Een Britse groepsvennootschap wil een kennelijk Brits verlies overnemen van een Britse consortiumvennootschap, maar de daarvoor vereiste
link company(een vennootschap die lid is van zowel de groep als het consortium) is niet in het VK, maar in Luxemburg gevestigd en heeft evenmin een v.i. in het VK. Bovendien zijn niet alle vennootschappen via welke de VK-verliesoverdrager en de VK-verliesovernemer met elkaar verbonden zijn in het VK of de EU of de EER (maar in Hong Kong) gevestigd en is de laagste gemeenschappelijke moeder binnen de groep waartoe de
link companybehoort evenmin in het VK of de EU of de EER (maar in Hong Kong) gevestigd. Op die gronden stond de Britse wetgeving in die zaak geen verliesoverneming toe. Opgemerkt moet echter worden dat de Britse regeling ná het geschiljaar – in 2010 – al gewijzigd was in die zin dat de rol van
link companynu ook door een EU/EER-vennootschap vervuld kan worden, en dat de Britse regering geen rechtvaardigingen had aangevoerd voor de eerder gestelde eis dat de
link companyin het VK gevestigd moest zijn. Daaruit blijkt al dat een niet-onderworpen
link companyin het Britse niet-consolidatiesysteem van intra-concern verhandeling van verliezen niet op onoverkomelijke bezwaren stuit omdat het verlies niet over een onionderbroken keten hoeft te lopen, maar rechtstreeks van de verliesvennootschap naar de winstvennootschap gaat. De A.-G. Jääskinen concludeerde op 24 oktober 2014 dan ook onder meer als volgt:
link companybehoort in de EU of de EER is gevestigd. Die kwesties zijn voor onze zaak niet relevant. De A.-G. acht die eisen overigens toelaatbaar.
keuzedie de belanghebbende niet heeft, nl. om ook de tussenhoudster te voegen en daarmee een eenheid tussen grootmoeder en kleindochters te bewerkstelligen. Uit het ruim ná
Papillongewezen arrest
X Holding BV(zie 5.10 en 5.11 hierboven) blijkt echter ondubbelzinnig dat Nederland de belanghebbende die keuze
niethoeft te geven. Uit
X Holding BVblijkt dat het EU-recht noch fiscale consolidatie tussen de belanghebbende en haar Spaanse en Griekse dochters eist, noch fiscale consolidatie tussen de Nederlands kleindochters en hun Spaanse en Griekse moeders. Het voor de belanghebbende niet-bestaan van de keuze om haar kleindochters te voegen
viavoeging van de Spaanse en Griekse tussenhoudsters is EU-rechtelijk dus gerechtvaardigd. De belanghebbende kan zich daarom niet met vrucht beroepen op het in haar geval ontbreken van deze binnenslands wél bestaande keuze. Het HvJ EU heeft zich wellicht niet gerealiseerd, toen hij zijn arrest in de zaak
X Holding BVwees, dat dat arrest implicaties heeft voor
Papillon-situaties: in de eerste plaats had hij in
X Holding BVeen geval voor zich uit de tweede in 5.9 omschreven categorie (
grensoverschrijdenderesultaatsintegratie), niet uit de eerste categorie zoals in
Papillon; in de tweede plaats ging
X Holding BV, anders dan
Papillon, over volledige fiscale consolidatie in één belastingplichtige volgens een facultatief, veel flexibeler en verder gaand regime dan het Franse systeem met onder meer de minimaal-vijf-jaar-eis en verplichte consolidatie in uitsluitend de topholding.
Papillonen
Philips Electronicswel relevant zijn in belanghebbendes zaak, nu die zaken integratieregimes betroffen die (veel) minder verder gaan dan de Nederlandse flexibele
facultatieveen
volledigefiscale consolidatie van vennootschappen in één belastingplichtige. De verliesverhandeling in het Britse
group reliefsysteem bijvoorbeeld, loopt niet via een ononderbroken aandeelhouderschapsketen, maar rechtstreeks van de verlies-groepsvennootschap naar de winst-groepsvennootschap, al moeten die twee wel via-via verbonden zijn. Uit de zaak
Philips Electronicsblijkt voorts dat sprake was van een extra eis (geen mogelijkheid tot verrekening elders) die in binnenlandsituaties niet gesteld werd. Daarvan is in de thans te beoordelen Nederlandse zaak geen sprake. Het Franse systeem vervolgens, lijkt weliswaar meer op het Nederlandse dan het Britse doet, maar gaat minder ver en is veel minder flexibel: voeging is verplicht voor minstens vijf jaar en bij uittreden gelden
recapturester zake van de laatste vijf jaar; alleen de topholding kan als moeder dienen; welke vennootschap wanneer gevoegd en ontvoegd wordt, kan niet geheel naar eigen inzicht door de groep worden bepaald; niet alle vermogen en werkzaamheid van de gevoegde vennootschappen wordt toegerekend aan de moeder: alleen bepaalde intercompany-verhoudingen en –transacties worden uitgeschakeld; elke vennootschap moet nog steeds op
stand alonebasis haar belastbare winst bepalen en aangeven. De Franse topholding fungeert aldus meer als een totalisator van separate fiscale dochterresultaten, gevolgd door correcties voor onder meer intragroeps-overdrachten van aandelen en activa, voor intragroepsdividenden en voor voorzieningen en afboekingen op intragroepsleningen; het gaat meer om
fiscal accountancydan om fiscale persoonsvereenzelviging.
nietwil maken, lijkt voorts weinig kant of wal te raken. De belanghebbende vraagt niet om
dezelfdevereenzelviging als de vereenzelviging die in de vergelijkbare interne situatie tot stand zou moeten worden gebracht om het door haar gewenste resultaat te bereiken. Zij vraagt om iets dat in de vergelijkbare binnenlandse situatie niet bestaat, nl. voeging van haar kleindochters zonder voeging van tussenhoudsters. Zij vraagt daarmee niet om gelijke, maar om gunstiger fiscale behandeling dan in een vergelijkbaar geheel binnenlands geval. Haar standpunt impliceert daarmee dat Nederland in zijn wetgeving twee soorten fiscale eenheden zou moeten opnemen: (i) het door Nederland soeverein gewenste fiscale consolidatieregime, waarin – gezien het flexibele en facultatieve karakter van dat systeem - om voor de hand liggende rationele redenen [33] een ononderbroken aandeelhouderschapsketen voorwaarde is voor volledige consolidatie, en daarnaast (ii) een door hem expliciet niet gewenst [34] , veel ruimer en fiscaal onbeheersbaarder regime voor groepen vennootschappen die mede een grensoverschrijdende intragroepsrelatie hebben of organiseren. Als dat standpunt juist zou zijn, staan Nederland mijns inziens drie wegen open: (i) de resulterende, mijns inziens met Protocol 12 EVRM en de artt. 20 en 21 EU-Handvest [35] op gespannen voet staande omgekeerde discriminatie van geheel binnenlandse concerns opheffen door de ononderbroken-ketenvoorwaarde ook af te schaffen voor geheel binnenlandse groepen, hetgeen zal leiden tot een onafzienbare reeks onleesbare en onwerkbare antimisbruikbepalingen, (ii) de resulterende, mijns inziens met Protocol 12 EVRM en de artt. 20 en 21 EU-Handvest op gespannen voet staande fiscale privilegiëring van de grensoverschrijdende situatie opheffen door fiscale consolidatie ook voor geheel binnenlandse gevallen af te schaffen (het paard achter de wagen dus) of (iii) iets daartussenin: het door hem gewenste systeem inruilen voor een veel inflexibeler en minder ver gaand systeem zoals wellicht het Franse of een systeem met een heel ander karakter, zoals het Britse. Gevallen waarin een lidstaat zich door rechtspraak van het HvJ EU genoodzaakt ziet een keuze zoals die onder (ii) te maken, werden door voormalig A.-G. Geelhoed bij het HvJ EU terecht een – zeer onwenselijke - anathema (vloek) van de interne markt genoemd (paragraaf 68 conclusie in zaak C-524/04,
Thin cap [36] ).
nietverplicht tot de fiscale vereenzelviging waarvoor in geheel interne gevallen gekozen kan worden (
X Holding BV), dan volgt daaruit mijns inziens dat het EU-recht niet noopt tot een grootmoeder-kleindochter-vereenzelviging met weglating van de tussenhoudster die binnenslands niet toegestaan is. De enige ongelijkheid in behandeling waarop de belanghebbende in casu kan wijzen (nl. het ontbreken van de keuze om ook haar tussenhoudsters te voegen) is immers expliciet als gerechtvaardigd aanvaard door het HvJ EU in
X Holding BV.
X Holding BVmoet als onjuist beschouwd worden en bij nader inzien moet geoordeeld worden dat de vestigingsvrijheid toch wél verplicht tot grensoverschrijdende fiscale vereenzelviging als die binnenslands beschikbaar is, ofwel (ii) binnenlandse concerns met een tussengeplaatste buitenlandse tussenhoudster worden door het EU-recht – ondanks het Twaalfde protocol EVRM en de artt. 20 en 21 EU-Handvest - fiscaal geprivilegieerd doordat voor hen een nóg flexibeler en facultatiever regime – nl. zónder ononderbroken-keten-voorwaarde – beschikbaar moet zijn waarvan geheel binnenlandse concerns uitgesloten blijven.
Papillon-posterieure zaak
X Holding BV, is niet als zodanig naar voren gekomen in de door het Hof Amsterdam verwezen prejudiciële vragen (zie 5.4 en 5.13 hierboven). Dat Hof verwerpt alleen de stellingen van de inspecteur (zie r.o. 4.14.5 in de zaak 11/00587):
X Holding BV-arrest rechtstreeks volgt dat in het Nederlandse systeem volgens EU-recht in een
Papillon-situatie weigering van voeging gerechtvaardigd is en
X Holding BVzou impliceren dat het ontbreken van de mogelijkheid tot consolidatie in geval van buitenlandse tussenhoudsters een dispariteit is.
Papillon-posterieure arrest
X Holding BVnog wel de conclusie toelaat dat de enige ongelijkheid in behandeling waarop de belanghebbende in casu kan wijzen (het ontbreken van de keuze om ook haar tussenhoudsters te voegen)
nietreeds door het Hof expliciet als gerechtvaardigd is aanvaard in
X Holding BV; en
X Holding BV, (ii) het zonder-onderscheid-karakter van de ononderbroken-ketenvoorwaarde, (iii) het Twaalfde protocol EVRM en de artt. 20 en 21 EU-Handvest, en (iv) het verder gaande en facultatieve karakter van het Nederlandse vereenzelvigingssysteem ten opzichte van het Franse integratiesysteem, het EU-recht Nederland niettemin verplicht om ofwel belanghebbendes geval fiscaal te privilegiëren door de algemene ononderbroken-ketenvoorwaarde voor haar geval te laten vallen, ofwel zijn nationale vereenzelvigingssysteem te verlaten.
6.De verdragsrechtelijke non-discriminatiebepalingen
1963- en
1977-Commentaren bij de inhoudelijk ongewijzigde Modelbepaling zijn vrijwel identiek (ik citeer alleen de Engelse tekst):
group contribution-, integratie- of consolidatie-wetgeving. Het
2008-commentaar bij art. 24(5) OESO-modelverdrag doet dat wel: na een paragraaf die nog steeds identiek is aan de boven geciteerde paragraaf 57 (1977), is in 2008 een paragraaf toegevoegd die inhoudt dat ondernemingen met aandeelhouders in de andere verdragsstaat geen beroep op art. 24(5) kunnen doen om in aanmerking te komen voor fiscale integratie of consolidatie die mogelijk is tussen ondernemingen die alle inwoner van één verdragstaat zijn:
thin capregels toegestaan; PJW).
group relief, integratie of consolidatie. Weliswaar is dit 2008-commentaar op art. 24(5) Model van later datum dan de toe te passen verdragen, maar in dit geval is de aanvulling van het commentaar mijns inziens onmiskenbaar een verduidelijking worden gezien, nu niets in de eerdere commentaren erop wees dat de eerdere commentatoren enige stap in de richting van grensoverschrijdende verliesverrekening en opheffing van resultaatneming op intercompany transacties zouden hebben gewild.
X Holding BV.
binnen dezelfde jurisdictie, waartussen een tussenhoudster in de andere verdragstaat geschakeld is die niet geconsolideerd wordt, zodat op zichzelf geen grensoverschrijdende consolidatie aan de orde is en het Commentaar dus op zichzelf in casu geen gezichtspunten biedt. Volgens Boulogne [41] kan art. 24(5) OESO-Model in onze – uitsluitend de heffing ten laste van
binnenlandsevennootschappen betreffende – situatie daarom wél ingeroepen worden:
World Tax Journalvan Avery Jones e.a. [42] blijkt dat er inderdaad nationale belastingrechters zijn die naar nationaal recht uitgesloten
Papillon-achtige situaties (tussenhoudster in het andere verdragsland) niettemin in aanmerking hebben doen komen voor
group contributionregels op basis van 24(5) OESO-Modelverdrag (citaat met voetnoten):
group contributionsystemen (die vergelijkbaar zijn met het Britse
group reliefsysteem) veel minder ver gaan (slechts resultaatoverheveling inhouden die niet langs een ononderbroken keten van aandeelhouderschap hoeft te lopen, mits het resultaat maar binnen de groep blijft) dan de volledige fiscale consolidatie tot één belastingplichtige die het Nederlandse fiscale-eenheidsregime inhoudt. Ik zie mede daarom in belanghebbendes geval de gestelde discriminatie naar aandeelhouderschap niet, nu immers ook in de geheel binnenlandse situatie de eis van een ononderbroken aandeelhouderschapsketen gesteld wordt voor fiscale vereenzelviging, en wel om – zoals boven bleek – volkomen rationele redenen. Ik merk voorts opnieuw op dat de belanghebbende
nietde keuze wenst te maken in het ontbreken waarvan zij een discriminatie ziet. Dat is anders in de in het citaat in 6.9 weergegeven zaken: daar wilden de betrokkenen juist wél de keuze maken die hen onthouden werd. Niet relevant is dat aan een concern met een buitenlandse tussenhoudster de keuze wordt onthouden die tussenhoudster te voegen, nu - zoals boven bleek - art. 24(5) OESO-Model juist niet noopt tot integratie van (de resultaten van) een tussenhoudster in het andere verdragsland.
ratione personaemijns inziens in het geheel niet onder de door haar ingeroepen nondiscriminatiebepalingen vallen. De belanghebbende valt er niet onder omdat zij niet stelt anders behandeld te worden op grond van het inwonerschap in een verdragsstaat van
haaraandeelhouders. Voor zover zij in deze procedure haar Nederlandse kleindochters kan vertegenwoordigen, wordt deze kleindochters de mogelijkheid tot voeging met de belanghebbende voorts niet onthouden op grond van het
inwonerschapvan de tussenhoudsters, maar op grond van de
niet-onderworpenheidvan die tussenhoudsters in Nederland. Als de tussenhoudsters in Nederland een vaste inrichting zouden hebben onderhouden waaraan de deelnemingen in de kleindochters toe te rekenen zouden zijn geweest, dan was de gewenste consolidatie immers wél mogelijk geweest, hoewel beide tussenhoudsters nog steeds
inwonervan Spanje resp. Griekenland zouden zijn geweest.
7.Behandeling van de middelen
X Holding BVvastgesteld. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is dus geen sprake. Het desondanks wél aan de belanghebbende toestaan van een Papillon-voeging die aan een vergelijkbaar geheel binnenlands concern wettelijk niet wordt toegestaan, zou mijns inziens een fiscale privilegiëring van de grensoverschrijdende situatie opleveren waartoe het EU-recht niet noopt en die op gespannen voet staat met het discriminatieverbod van het Twaalfde protocol EVRM en daarmee met de artt. 20 en 21 van het EU-Handvest.
double dipsop interne groepsfinancieringen (met eigen of met vreemd vermogen) door middel van fiscaal-strategische voeging en ontvoeging en liquidaties en (ii) intragroepstransacties en strategische verschuivingen van activa in combinatie met fiscaal-strategische voegingen en ontvoegingen en gebruikmaking van de deelnemingsvrijstelling en de daarbij behorende liquidatieverliesaftrekregeling. Dit is in interne situaties even ongewenst als in grensoverschrijdende situaties en gaat duidelijk in tegen doel en strekking van art. 15 Wet Pro Vpb (volledige fiscale vereenzelviging op grond van de economische werkelijkheid van een
unitary business: als een volledige (100%) vennootschap volledige wordt weggelaten, is van
unitary businessgeen sprake meer; eerder van willekeurige
disunity). Ik merk daarbij op dat het Franse
intégration fiscalesysteem, dat na het HvJ EU-arrest in de zaak
Papillonthans wél consolidatie van Franse 95%-kleindochters toelaat zonder voeging van een tussenliggende 95%-tussenhoudster, veel minder ruimte voor manipulatie laat (zie de verschillen, samengevat in 5.17 hierboven). Mij is niet duidelijk of het Franse regime een liquidatieverliesaftrekregeling binnen een deelnemingsvrijstellingsregime kent indien géén
intégrationbestaat of deze wordt verbroken. De eis van een ononderbroken aandeelhouderschapsketen in het geheel facultatieve Nederlandse volledige vereenzelvigingsstelsel wordt, kortom, gerechtvaardigd door de noodzaak de integriteit van het systeem van winstbelastingheffing van rechtspersonen te beschermen (fiscale coherentie).
acte éclairé, geef ik u in overweging om het HvJ EU aanvullende prejudiciële vragen te stellen op de in 5.21 aangegeven punten, zulks met een zekere spoed, nu de zitting in Luxemburg in de drie door het Hof Amsterdam verwezen zaken op 9 januari 2014 heeft plaatsgevonden en de A.-G. Kokott zich aan het schrijven van een conclusie in die zaken heeft gezet die aangekondigd is voor 27 februari 2014.