ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8717
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale eenheid en vrijheid van vestiging bij tussenhoudstervennootschappen in andere lidstaat
Belanghebbende, onderdeel van een Zweedse groep, verzocht om fiscale eenheid met haar Nederlandse (achter)kleindochtervennootschappen die via Duitse tussenhoudstervennootschappen worden gehouden. De inspecteur weigerde dit omdat de tussenhoudstervennootschappen niet in Nederland zijn gevestigd, wat volgens de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een vereiste is.
De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en stelde dat de weigering een belemmering vormt van de vrijheid van vestiging zoals beschermd door het EG-Verdrag en het VWEU. Het Hof Amsterdam bevestigt dat de Nederlandse regeling leidt tot ongelijke behandeling van grensoverschrijdende situaties ten opzichte van binnenlandse situaties en dat dit een beperking van de vrijheid van vestiging inhoudt.
Het Hof overweegt dat de verticale consolidatiegedachte van het fiscale-eenheidsregime een wezenlijk kenmerk is, maar dat er twijfel bestaat over de objectieve vergelijkbaarheid van de grensoverschrijdende situatie met binnenlandse situaties. Het Hof stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EU over de rechtmatigheid van de beperking, de rechtvaardiging door dwingende redenen van algemeen belang, en de proportionaliteit van de regeling.
Het Hof wijst op jurisprudentie zoals Papillon, Marks & Spencer II, en Philips Electronics UK Ltd., en bespreekt het belang van fiscale coherentie en het voorkomen van dubbele verliesverrekening. Het concludeert dat het Nederlandse fiscale regime mogelijk in strijd is met het Europese recht en dat nadere beoordeling door het HvJ EU noodzakelijk is.
Uitkomst: Het Hof verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek tot fiscale eenheid toe voor 2009, met prejudiciële vragen aan het HvJ EU.