ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8711
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.F. Faase
- J. den Boer
- J.C.M. van Sonderen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van fiscale eenheid en vrijheid van vestiging bij Nederlandse zustermaatschappijen met buitenlandse moedervennootschap
Belanghebbenden, onderdeel van het [X]-concern met een Duitse moedervennootschap en Nederlandse zustermaatschappijen, verzochten om fiscale eenheid per 1 januari respectievelijk 1 juli 2007. De inspecteur weigerde dit omdat de moedervennootschap niet in Nederland gevestigd is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het Hof bevestigt dat volgens de Nederlandse wetgeving fiscale eenheid alleen mogelijk is binnen een ononderbroken keten van moeder- en dochtervennootschappen die in Nederland gevestigd zijn.
Het Hof onderzoekt of deze regeling in strijd is met de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd in de artikelen 49 en 54 VWEU. Het constateert dat de Nederlandse regeling een belemmering kan vormen voor buitenlandse moedervennootschappen die via Nederlandse zustermaatschappijen hun activiteiten willen consolideren. Het Hof stelt vast dat de verticale consolidatiegedachte een wezenlijk kenmerk is van het fiscale-eenheidsregime, wat beperkingen oplegt aan het vormen van fiscale eenheden tussen zustermaatschappijen zonder hun moedervennootschap.
Het Hof bespreekt jurisprudentie, waaronder de arresten Papillon, Marks & Spencer II en Philips Electronics UK Ltd., en concludeert dat er twijfel bestaat over de objectieve vergelijkbaarheid van de situaties en de rechtvaardiging van de beperking. Daarom legt het Hof prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en schorst het geding totdat het HvJ EU uitspraak doet.
Uitkomst: Het Hof legt prejudiciële vragen voor aan het HvJ EU en schorst de verdere behandeling totdat het HvJ EU uitspraak doet.