Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Klacht Iis gericht zich tegen het oordeel van het hof in rov. 8 dat, nu de vrouw haar grieven ter zake van de in de BV opgebouwde pensioenaanspraken heeft beperkt, in die zin dat zij thans geen afstorting meer vordert [4] , het incidenteel appel van de man (dat ziet op de waardering van de opgebouwde pensioenvoorziening in de BV in verband met afstorting bij een pensioenverzekeraar en de invloed daarvan op de waarde van de aandelen) geen verdere bespreking behoeft. De klacht is voorts gericht tegen het oordeel van het hof in rov.14, dat de man in hoger beroep de door de rechtbank vastgestelde waarde van de aandelen niet heeft bestreden op grond waarvan het hof in navolging van de rechtbank is uitgegaan van een in de verrekening in aanmerking te nemen waarde van de aandelen van € 362.516,-. De klacht (onder 2.4) voert aan dat het hof kennelijk ervan is uitgegaan dat de grieven van de man (grief I en/of grief II in incidenteel appel) voor de in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten uitsluitend zien op de situatie dat de man veroordeeld zou zijn of worden tot afstorting van de in eigen beheer opgebouwde pensioenafspraken. De klacht betoogt dat deze lezing onjuist, te beperkt dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd, zulks in het licht van het debat van partijen in de procedure bij het hof.