Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel(onder 3) betoogt dat de beschikking blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting waar het hof in rov. 2.7-2.9 heeft overwogen dat de aard van de erkenning van een kind zich niet verzet tegen overeenkomstige toepassing van art. 3:58 BWC Pro. Het onderdeel (onder 3.2-3.3) doet daarvoor een beroep op de Toelichting Meijers en op de parlementaire geschiedenis van de schakelbepaling, zoals deze in het Nederlandse BW (art. 3:59 BW Pro) is opgenomen, welke bepaling overeenkomt met art. 3:59 BWC Pro. Het onderdeel stelt dat bekrachtiging zich niet goed laat denken bij een rechtshandeling als erkenning, omdat de nietigheden nauwkeurig zijn omschreven, evenals – aldus het middel in 3.4 – de daarop gemaakte uitzondering in ‘onderdeel e van het eerste lid van art. 1:204 BW Pro’, waarmee het onderdeel doelt op art. 1:204 BWC Pro. Voor zover het hof niet blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, betoogt het middel onder 3.6 en 3.7 dat het hof zijn oordeel dienaangaande onvoldoende heeft gemotiveerd.
tweede onderdeelvan het middel (onder 4) bestrijdt het oordeel van het hof over bezit van staat als tweede zelfstandige dragende grond voor toewijzing van het verzoek.
tweede onderdeelvan het middel (onder 4) heeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 2.10 en 2.11 dat [verweerster] ook wegens bezit van staat als bedoeld in art. 1:209 BWC Pro geldt als het kind van de man. Dit oordeel wordt bestreden met een rechtsklacht (onder 4.1), inhoudende dat gelet op de krachtens 1:204 BWC nietige erkenning door de man, het inroepen van bezit van staat niet alsnog ertoe kan leiden dat [verweerster] wordt beschouwd als het kind van de man. Een beroep op bezit van staat mag immers niet in strijd komen met de Nederlandse rechtsorde. Volgens het middel staat aanvaarding van bezit van staat op grond van art. 1:209 BWC Pro in het onderhavige geval op gespannen voet met de regel van internationaal privaatrecht die inhoudt dat een geboorteakte met deze inhoud niet in de nationale rechtsorde kan worden aanvaard, waartoe het middel verwijst naar art. 10:95 lid 2 jo Pro. lid 1 van het BW van Nederland. Het middel vervolgt met de klacht (onder 4.2) dat, voor zover het hof niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zijn oordeel in rov. 2.11 dat het met de beslissing van het hof bereikte ‘resultaat’ geenszins in strijd is met de openbare orde, onbegrijpelijk is gemotiveerd.