Uitspraak
zetelende te ’s-Gravenhage,
wonende op Curaçao,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een vrouw geboren in de Dominicaanse Republiek, erkend door een man die niet haar biologische vader was en ten tijde van de erkenning gehuwd was met een ander. Het hof stelde vast dat de erkenning nietig was, maar kende op grond van twee zelfstandige gronden het Nederlanderschap toe: de bekrachtiging van de erkenning na het vervallen van het beletsel en het bezit van staat.
De Hoge Raad bevestigde dat de bekrachtiging van de erkenning op grond van art. 3:58 lid 1 BWC Pro terecht werd aangenomen, omdat geen belanghebbende zich op de nietigheid had beroepen en de erkenning als geldig werd beschouwd. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het bezit van staat, waarbij de vrouw als kind van de man werd beschouwd en behandeld, ook bescherming biedt tegen buitenlandse gebrekkige aktes, zonder strijd met de openbare orde.
Het beroep van de Staat werd verworpen en de Hoge Raad veroordeelde de Staat in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de vrouw bekrachtigd, mede gelet op het belang van het kind en de rechtsbescherming van de erkenning.
Uitkomst: Het beroep van de Staat wordt verworpen en het Nederlanderschap van de vrouw wordt vastgesteld op grond van bekrachtiging en bezit van staat.