Conclusie
mr. Jaap Anne van der Meer q.q.
mr. Geurt te Biesebeek q.q.
mr. Pieter Rudolf Dekker q.q.
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
onderdeel 3ten slotte heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste opvatting en/of een onbegrijpelijke beslissing met zijn oordeel dat – kort gezegd – naar verkeersopvatting de tenaamstelling van de factuur ertoe strekt een betalingsverplichting van de geadresseerde (ELG) weer te geven; dat daaruit kan worden afgeleid aan wie naar de mening van Porsche Zuid en [betrokkene 1] zelf de Porsche verkocht was en aan wie deze vervolgens werd overgedragen; dat daaraan niet afdoet dat mogelijk eerder een koop tussen Porsche Zuid en [betrokkene 1] zelf tot stand was gekomen; dat ook de door de curatoren aangedragen aanwijzingen dit bewijs niet ontkrachten (rov. 3.4), waaronder de omstandigheid dat ELG ten tijde van de koop en levering nog niet bestond (rov. 3.5); en dat de factuur daarmee het bewijs oplevert dat ELG de eigendom van de Porsche heeft verkregen (rov. 3.6). Het onderdeel klaagt dat uit de overwegingen van het hof niet duidelijk wordt hoe zijn beslissing dat de door ELG overgelegde factuur het bewijs van eigendom oplevert, valt te verenigen met het vermoeden dat [betrokkene 1] (die de Porsche in zijn macht had) eigenaar is van de Porsche respectievelijk met het uitgangspunt dat hij de Porsche in eigen naam heeft gekocht. Ook acht het middel onjuist dan wel onbegrijpelijk dat de factuur van doorslaggevend belang wordt geacht in het licht van de stelling van de curatoren dat de tenaamstelling van de factuur in casu is ingegeven door fiscale motieven, namelijk de wens om de Porsche vrij van BPM en BTW te rijden; in het licht van de getuigenverklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2], waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] op eigen naam heeft gehandeld en die de fiscale redenen van de tenaamstelling van de factuur beamen; in het licht van het feit dat [betrokkene 1] zelf een substantieel deel van de koopsom heeft betaald; in het licht van het feit dat ELG ten tijde van de levering nog niet bestond; en in het licht van het feit dat vaststond dat [betrokkene 1] de Porsche vooral zelf gebruikte. Het onderdeel meent dat deze omstandigheden niet, althans niet kenbaar zijn meegewogen in het oordeel van het hof. Voorts stelt het onderdeel dat ELG niet aan haar standpunt ten grondslag heeft gelegd dat in een eerder stadium mogelijk sprake was van een – nadien ontbonden – verkoop aan [betrokkene 1]. Ten slotte acht het onderdeel onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof bewezen acht dat zowel Porsche Zuid als [betrokkene 1] de bedoeling had dat de eigendom van de Porsche aan ELG werd overgedragen op grond dat de Porsche op de datum van de factuur of zeer kort daarna aan [betrokkene 1] is afgeleverd. Volgens het onderdeel had het hof immers de vraag moeten beantwoorden welke bedoeling partijen hadden toen zij de koopovereenkomst sloten.
met welke partij als koperdeze titel – een koopovereenkomst – tot stand is gekomen. Deze titel is in het onderhavige geval immers ook bepalend voor het antwoord op de vraag aan wie de Porsche ter uitvoering van diezelfde koopovereenkomst [10] is (en moest worden) geleverd door afgifte van de Porsche door Porsche Zuid aan [betrokkene 1] of aan een door deze daartoe naar het garagebedrijf gestuurde medewerker op of zeer kort na 19 juni 2008, en voor het antwoord op de vraag wie door een dergelijke levering de eigendom van de Porsche heeft verkregen. [11] [12] Voor de vraag met wie de koopovereenkomst tot stand is gekomen, is doorslaggevend of [betrokkene 1] bij de totstandkoming van de koop op eigen naam of namens ELG heeft gehandeld. Indien op deze vraag (naar het oordeel van de rechter) een antwoord kan worden gegeven, is voor de algemene vermoedens van art. 3:109 en Pro 119 BW – en ook voor het algemene vermoeden dat men rechtshandelingen ten behoeve en voor rekening van zichzelf verricht [13] –geen rol meer weggelegd. [14]
onderdeel 1dan ook feitelijke grondslag.
onderdeel 2kan derhalve niet tot cassatie leiden.
onderdeel 3genoemde – geen sprake. Deze laatste feiten en omstandigheden sluiten immers geen van alle het door het hof aangenomen scenario in rov. 3.4 tot en met 3.6 uit, maar zijn, integendeel, (ook) in dat scenario inpasbaar.