Conclusie
2.Beoordeling van het cassatieberoep
i)aangeduide aspect van
onderdeel 1, het regresrecht op [betrokkene]. Ook in verzoekschriftprocedures in hoger beroep geldt de “in beginsel strakke regel” dat beroepsgronden tijdig moeten worden aangevoerd. Hoofdregel is dat het beroepschrift de gronden bevat waarop het berust (art. 359 jo Pro 278 Rv) [7] . Door Uw Raad is een uitzondering aangenomen op grond van de aard van sommige procedures, zoals voor een beroep van een bevel van de rechter-commissaris in faillissement, mede in verband met de daar geldende zeer korte beroepstermijn van vijf dagen, onder de voorwaarde dat de grieven “met bekwame spoed” in een aanvullend rekest naar voren worden gebracht [8] . Die ratio lijkt mij evenzeer opgaan voor schuldsaneringsprocedures als deze. Ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij kan ook een uitzondering op de “in beginsel strakke regel” rechtvaardigen. De appelrechter mag geen acht slaan op gronden die voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep worden voorgedragen, tenzij gerekwestreerde ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de desbetreffende grond alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Die toestemming hoeft niet uitdrukkelijk te zijn, deze kan ook besloten liggen in verklaringen of gedragingen van gerekwestreerde. Onder bijzondere omstandigheden kan deze ondubbelzinnige toestemming ook volgen uit het achterwege blijven van een reactie van gerekwestreerde op een nieuwe grond, bijvoorbeeld wanneer deze door appellant bij pleidooi uitdrukkelijk als zodanig is aangekondigd [9] .
inhoudelijke verwerennaar voren gebracht: er zijn geen nieuwe schulden gemaakt, zij was niet betrokken bij de hennepkwekerij op haar zolder, waar ze ook niet van wist en er was ook geen andere reden voor tussentijdse beëindiging. Alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is [verzoekster] stipt nagekomen (beroepschrift onder 8), terwijl zij zeer korte tijd verwijderd was van een schone lei (beroepschrift onder 9). Daarna is in het beroepschrift in “grief 2” (onder 12-13) een zogenoemde “veeggrond” geformuleerd [10] . Hoewel het petitum van het beroepschrift onder ii) verzoekt [verzoekster] in de gelegenheid te stellen “de gronden van dit beroep zonodig aan te vullen en nader te motiveren”, heeft zij geen aanvullend rekest ingediend [11] . Tenzij sprake is van ondubbelzinnige acceptatie door de bewindvoerder van aanvullende aspecten, is de rechtsstrijd in hoger beroep dus zoals hier geschetst afgebakend [12] . Het regresrecht-aspect van onderdeel 1 valt daar buiten. Het beroepsschrift zwijgt hierover en van ondubbelzinnige aanvaarding daarvan in het geschil door de bewindvoerder is volgens mij geen sprake [13] . Omdat [verzoekster] het regres-aspect niet in haar beroepschrift als grond heeft aangevoerd, mist zij belang bij cassatie op dit punt. Het stond het hof niet vrij daar op in te gaan en dat zou voor een verwijzingshof na cassatie niet anders zijn [14] .
iii)van
onderdeel 1(hoogte schuld aan Liander) hierop. [verzoekster] heeft blijkens rov. 3.2 [15] van het bestreden arrest de hoogte van de vordering van Liander van € 7.872,24 bestreden [16] en gesteld dat de hoogte niet klopt gelet op de korte periode dat de kwekerij volgens [betrokkene] in bedrijf is geweest. In reactie daarop heeft de bewindvoerder in hoger beroep gesteld (p-v p. 2) dat zij “
[o]ver de betrokkenheid van [verzoekster] bij de in haar huurwoning aangetroffen hennepkwekerij (…) geen mening [kan] vormen. Waar ik wel mee zit is een aanzienlijke schuld van bijna € 8.000,-. Gelet op wat ik hier vandaag heb gehoord zou het in de rede liggen dat [betrokkene] deze schuld dient te voldoen, maar vooralsnog is [verzoekster], als huurster van de woning, aansprakelijk voor deze vordering. [17] ”Tegen de hoogte van de vordering van Liander is in het beroepschrift verder geen grond gericht, zoals we zagen in 2.6. Van ondubbelzinnige aanvaarding van de rechtsstrijd door de bewindvoerder op dit punt lijkt mij ook hier geen sprake. Het stond het hof dus niet vrij om hier op in te gaan en daarom heeft het hof deze stelling terecht buiten beschouwing gelaten [18] .
bovenmatige schuldendoor de saniet, één van de gronden voor tussentijdse beëindiging (art. 350 lid 1 jo Pro. lid 3 onder d Fw). De saniet moet van het ter beschikking gestelde vrij te laten bedrag kunnen rondkomen, het uitgavenpatroon moet daarop zijn afgestemd. Als de saniet schulden maakt die die financiële mogelijkheden te buiten gaan, kan het ontstaan van die schulden worden aangerekend, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt [19] . Voor beëindiging op deze grondslag is vereist dat de schuld
bovenmatigis. Of een schuld bovenmatig is moet volgens uw Raad [20] worden gerelateerd aan de hoogte van het vrij te laten bedrag.
iv)stelt, mist feitelijke grondslag. [verzoekster] heeft gesteld dat zij wisselende diensten draait en daarom [betrokkene] nooit is tegengekomen [24] , wat overigens gelet op de door [betrokkene] toegegeven duur van de teelt van enkele maanden en het enkele feit van het draaien van onregelmatige diensten ook al niet aanstonds aanspreekt. Ook ten aanzien van de energiefraude kon en mocht het hof [verzoekster] aanrekenen dat zij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij het nagaan van wat er in haar woning door [betrokkene] werd verricht. Daarbij ligt het voor de hand dat [verzoekster] [betrokkene] zou hebben gevraagd wat hij met de in bruikleen gestelde zolder van plan was, of althans dat zij eens zou zijn gaan kijken wat daar op zolder zo al voorviel. Het is bepaald begrijpelijk dat het hof bij dit een en ander de nodige argwaan ventileert. Van (verregaande) risicoaansprakelijkheid van de huurder, zoals aspect
ii)van onderdeel 1 aandraagt, is – wat daar verder van zij – geen sprake, het betreft contractuele aansprakelijkheid en begrijpelijke toerekening. Feitelijke grondslag mist verder nog de stellingen van aspect
iv)van het onderdeel dat het hof voetstoots is uitgegaan van een volwassen kwekerij met meerdere oogsten, terwijl [verzoekster] ook niets heeft gesteld over een dichte (zolder)deur die geen fel licht door zou laten.
De groeilampen hebben hooguit drie maanden gebrand.”). Dat is langer dan tien weken. Het is aannemelijk dat in die periode wietgeur moet zijn opgetreden in de woning van [verzoekster]. Dat een bepaalde (geur)gewenning optreedt, doet niet af aan de omstandigheid dat [verzoekster] aanvankelijk de hennepgeur moet hebben geroken.
ii)en
iv)van
onderdeel 1. Onderdeel 1 is tevergeefs voorgesteld.
onderdeel 2voortbouwt op het slagen van onderdeel 1, faalt het op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden. Maar ook overigens kan dit niet slagen. Beëindiging van de schuldsaneringsregeling en verlenging daarvan betreffen volgens artt. 350 lid 1 en 349a Fw discretionaire rechterlijke bevoegdheden. Het hof heeft als feitenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding gezien om de schuldsaneringsregeling te laten voortduren. Dat betreft een hoofdzakelijk feitelijke afweging en waardering die in cassatie niet nader kan worden getoetst dan op begrijpelijkheid en van onbegrijpelijkheid in cassatie-technische zin is hier volgens mij geen sprake [28] .