Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
4.Bespreking van het middel
onderdeel bdat het Hof met zijn oordeel in rov. 3.4 - 3.12 miskent dat - mede gelet op de hier vereiste restrictieve uitleg - onder "degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde" in art. 7:962 lid 3 BW Pro niet is te begrijpen degene die op basis van inlening via een uitzendbureau werkzaam is voor de werkgever bij wie de verzekerde in dienst is. Dit geldt althans indien deze inlening wordt gekenmerkt door (een of meer van) de navolgende omstandigheden:
- dat [ verweerder 1] vanaf 8 juni 2009 door [A] werd ingeleend;
- dat na het ongeval van 5 juli 2009 de inlening van [ verweerder 1] is beëindigd (waarbij het dienstverband van [ verweerder 1] met uitzendbureau MPO zelfs met terugwerkende kracht tot 3 juli 2009, derhalve tot vóór het ongeval, is beëindigd);
- dat de inlening van [ verweerder 1] door [A] derhalve (slechts) ongeveer vier weken heeft geduurd;
- dat [A] bovendien - naar Anderzorg heeft aangevoerd en het Hof in zijn arrest niet ongegrond heeft bevonden - nooit de intentie heeft gehad om een duurzame arbeidsrelatie met [ verweerder 1] aan te gaan: [ verweerder 1] was slechts tijdelijk ingeleend voor een specifieke klus en het was niet de bedoeling dat [ verweerder 1] nadien nog voor [A] werkzaam zou zijn.
duidelijkeconclusie worden getrokken? Ik denk het niet. Men zou kunnen menen dat ook de bewindsman (en bij gebreke van tegenspraak vermoedelijk ook de Staten-Generaal) uit was op een “uniforme regeling”. Dat zou dan pleiten voor het standpunt van [verweerders] Maar men kan m.i. met even veel of weinig recht betogen dat voor de hand ligt dat de Minister aansluiting zou hebben gezocht bij de formulering van de onder 4.29.2 genoemde bepalingen, gesteld dat hem inderdaad een ruim werknemersbegrip voor ogen stond. Nu hij heeft gekozen voor een afwijkende formulering is daarmee, in deze lezing, daadwerkelijk iets anders bedoeld.
,wat in noot 1406 lijkt te worden afgezwakt. [35] Zij merkt daarbij op dat niet alleen het regres op directe collega’s van de benadeelde, waarmee hij in zijn directe werkomgeving te maken heeft, aan deze beperkingen onderhevig is. Gesproken wordt veel ruimer van degene ‘die in dienstverband staat tot dezelfde werkgever’. Om te kunnen spreken van een dienstverband in deze zin is niet nodig dat ook loonbetaling plaatsvond ten tijde van het ongeval. Zo gold de beperkte blootstelling aan regres ook voor de automobilist die met zijn inzittende collega op weg was naar een herscholingscursus en een ongeval veroorzaakte, in een periode dat beiden geen arbeid verrichten voor hun werkgever en ook geen loon maar een uitkering ontvingen. Beslissend was of er, afgaande op de concrete omstandigheden van het geval, ten tijde van het ongeval nog steeds sprake was van een dienstverband, aldus Engelhard. [36]
onderdeel 2. ’s Hofs oordeel moet aldus worden begrepen dat een beëindiging “met terugwerkende kracht” niet mogelijk is en dat a) een beëindiging zonder terugwerkende kracht enkel gelegen in het ongeval niet alleen rechtens geen effect sorteert omdat het aankomt op het tijdstip van het ongeval, maar ook omdat b) het misbruik of apert onredelijk handelen in de hand zou werken.
onderdeel 3eveneens gegrond.