Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.1is gericht tegen rov. 3, 6 en 10 van het arrest en betoogt dat, nu vaststaat dat partijen een overeenkomst sui generis voor het leven hebben gesloten, welke overeenkomst is geamendeerd door de overeenkomst van 11 maart 1984, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bekrachtiging van het wegzendingsdecreet door de Signatura Apostolica niet alleen een einde heeft gemaakt aan het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie maar ook aan de overeenkomst sui generis en dit oordeel als uitgangspunt te nemen voor de beoordeling van de vorderingen van [eiser].
Onderdeel 1.2betoogt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat niet zonder toelichting valt in te zien waarom het lidmaatschap van de Provincie met de overeenkomst sui generis zou moeten worden vereenzelvigd respectievelijk waarom het royement van [eiser] als lid van de Provincie tevens de beëindiging inhield van de overeenkomst sui generis zonder dat daarvoor een nadere beëindigingshandeling naar Nederlands recht had plaatsgevonden.
Onderdeel 1.3voert aan dat zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie zou moeten worden vereenzelvigd met de overeenkomst sui generis, het hof in rov. 10 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat door de wegzending de overeenkomst sui generis werd beëindigd, terwijl de wegzending slechts zag op het lidmaatschap van de Provincie.
Onderdeel 1.4betoogt dat het voorgaande ook rov. 9 t/m 20 van het bestreden arrest aantast.
onder 2.1dat – kort samengevat – het hof in rov. 14 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de burgerlijke rechter de uitspraak van de verenigingstuchtrechter aangaande de wegzending slechts marginaal kan toetsen, terwijl een volledige toetsing zou moeten plaatsvinden.
Onder 2.2wordt betoogd dat zonder nadere toelichting niet begrijpelijk is waarom de door de Provincie en de Congregatie aan het wegzendingsbesluit ten grondslag gelegde reden als deugdelijk moet worden aangemerkt.