Conclusie
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor overtreding van de Flora- en faunawet. Het geschilpunt was of het openen van een niet afgesloten roldeur van een koelcel binnen het bedrijfspand door opsporingsambtenaren een onrechtmatige doorzoeking opleverde, waardoor het bewijs zou moeten worden uitgesloten.
De Hoge Raad overwoog dat de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel ook de bevoegdheid omvat om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen, waaronder het openen van een niet afgesloten deur. Dit volgt uit vaste jurisprudentie en is vergelijkbaar met het bepaalde in de Opiumwet. Het hof had vastgesteld dat de roldeur niet was afgesloten en dat de opsporingsambtenaren slechts zoekend rondkeken binnen het pand.
Daarmee was geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim en mochten de bevindingen, waaronder de aantreffen van twee zeehonden in de koelcel, als bewijs worden gebruikt. Het cassatieberoep faalde en de veroordeling bleef in stand.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de reikwijdte van de bevoegdheid van opsporingsambtenaren bij binnentreden en verduidelijkt dat het openen van niet afgesloten deuren binnen het pand niet automatisch een doorzoeking inhoudt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat het openen van de niet afgesloten roldeur geen onrechtmatige doorzoeking is, blijft gehandhaafd.