ECLI:NL:PHR:2013:BZ5346
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging pachtovereenkomst en uitleg opzeggingsgronden volgens art. 7:369 lid 2 BW
In deze zaak staat de beëindiging van een pachtovereenkomst tussen De Molensteen en een pachter centraal. De pachtovereenkomst betrof grond in de gemeente Waalwijk en liep van 1 juli 2005 tot 30 juni 2011. De Molensteen vorderde dat de rechter het tijdstip van beëindiging van de overeenkomst vaststelt en dat de pachter het gepachte ontruimt. De rechtbank wees de vordering toe op grond van een belangenafweging, maar wees het beroep op tekortkomingen van de pachter af wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering af, onder meer omdat De Molensteen nieuwe opzeggingsgronden aanvoerde die niet in de opzeggingsbrief waren vermeld, wat volgens art. 7:369 lid 2 BW Pro niet is toegestaan. Het hof oordeelde dat de belangenafweging niet in het voordeel van De Molensteen uitviel en dat het verzet van de pachter tegen opzegging niet onaanvaardbaar was.
In cassatie stelde De Molensteen dat het hof te restrictief was in de uitleg van art. 7:369 lid 2 BW Pro en dat het hof de belangen niet correct had afgewogen. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde de restrictieve uitleg van de opzeggingsgronden, en oordeelde dat het hof een juiste feitenrechtelijke waardering had gemaakt. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van De Molensteen wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.