ECLI:NL:PHR:2013:BY9295
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over de uitleg van directeur-grootaandeelhouder in de Werkloosheidswet en de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder
De zaak betreft de vraag of een statutair bestuurder die 48% van de aandelen houdt en wiens bloed- en aanverwanten tot de derde graad 26% van de aandelen bezitten, als directeur-grootaandeelhouder (DGA) in de zin van artikel 2(1)(d) van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder moet worden aangemerkt en daardoor niet verzekerd is voor de Werkloosheidswet (WW).
De belanghebbende was bestuurder van een BV en vroeg een WW-uitkering aan na eervol ontslag. Het UWV wees de aanvraag af omdat hij volgens hen DGA was. Rechtbank en Centrale Raad van Beroep vernietigden het besluit van het UWV omdat zij de Regeling grammaticaal uitlegden en het aandelenbezit van de bestuurder zelf niet meerekenden.
De Hoge Raad stelt dat de Regeling een algemeen verbindend voorschrift is en teleologisch moet worden uitgelegd. De bedoeling van de wetgever en de Regelinggever was om aan te sluiten bij de richtlijnen van de Federatie Bedrijfsverenigingen, waarin het aandelenbezit van de bestuurder zelf wel wordt meegeteld. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar de feitenrechter om te beoordelen of de belanghebbende materieel onder het gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders stond, zodat hij mogelijk toch verzekerd kan zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak terug naar de feitenrechter voor beoordeling van de materiële gezagsverhouding.