ECLI:NL:HR:1994:AA2996
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over sociale zekerheidswetgeving en directeur-grootaandeelhouder in EU-verband
Belanghebbende, een Belgisch staatsburger woonachtig in België, was in 1984 directeur en enig aandeelhouder van een Nederlandse besloten vennootschap (B.V.). Hij werkte doorgaans twee dagen per week in Nederland en de rest van de week in België, waarbij hij een aanzienlijke beloning ontving van de B.V. De Inspecteur legde hem een premieheffing volksverzekeringen op over het volledige premie-inkomen, welke aanslag door het Hof werd verminderd.
Belanghebbende stelde dat op grond van Europese regelgeving (Verordening (EEG) nr. 1408/71) alleen de Belgische wetgeving van toepassing was, omdat hij in België woonde en zijn werkzaamheden deels daar verrichtte. Tevens voerde hij aan dat zijn arbeidsverhouding met de B.V. niet als een dienstbetrekking in privaatrechtelijke zin moest worden beschouwd, vanwege zijn aandeelhouderschap en feitelijke macht.
Het Hof oordeelde echter dat er wel degelijk sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat zowel de Nederlandse als de Belgische sociale zekerheidswetgeving van toepassing waren. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van het begrip 'in loondienst' en de toepassing van de Verordening op een directeur-grootaandeelhouder die in twee lidstaten werkt en woont.
De Hoge Raad schorst het geding en wacht de uitspraak van het Hof van Justitie af voordat verdere beslissingen worden genomen.
Uitkomst: Hoge Raad schorst het geding en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de toepassing van sociale zekerheidsregels op directeur-grootaandeelhouders.