Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
management feesen resultaat van bedrijfsuitoefening (indien men de "voorziening fiscale risico’s” en de RAK-dotaties negeert, is de belastbare winst gelijk aan het bedrijfsresultaat):
3.Het geding in feitelijke instanties
management feeszijn zakelijke betalingen zijn die irrelevant zijn voor de kwalificatie van de RAK. Nu na dotatie aan de RAK geen exploitatieoverschotten resulteren, is er geen winst of winststreven, is er geen fiscale onderneming en is belastingplicht uitgesloten. Wat subjectieve vrijstelling betreft, miskent de Rechtbank dat beperkte belastingplicht ex art. 2(1)(d) Wet Vpb toepasselijkheid van een subjectieve vrijstelling niet uitsluit; zou dat wel zo zijn, zoals de Rechtbank meent, dan zijn de subjectieve vrijstellingen dode letters. De belanghebbende voldoet aan de werkzaamheidstoets (art. 5(1)(c) Wet Vpb; zie 5.3 hierna) en aan de winstbestemmingstoets (art. 4 Uitvoeringsbesluit Pro vennootschapsbelasting 1971 [17] ; zie 5.7 hierna). Daaraan doet niet af dat zij (haar eigen werknemers) niet zelf de feitelijke zorg verlenen, nu die eis in wet noch wetsgeschiedenis wordt gesteld, en niet strookt met de ratio van de subjectieve vrijstelling. De Inspecteur wijst erop dat de Staatssecretaris bij besluit van 15 mei 2006 de eigen-handen-aan-het-bed-eis heeft gesteld (zie 5.10 hierna) en meent dat de belanghebbende in wezen slechts een administratieve dienstverlener is.
4.Het geding in cassatie
nietvoldoet aan de winstbestemmingstoets (zie 6.4). De belanghebbende heeft voorts haar bestuurders in 2003, terugwerkend tot 1995, hogere beloningen en pensioenen toegekend (r.o. 4.6 Rechtbank), hetgeen erop wijst dat zij overschotten gebruikte voor andere doelen dan het algemeen belang.
arm’s length-beginsel is voldaan. Die herberekening is dus irrelevant voor de winstbestemmingstoets. Ad (ii) betoogt zij dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever een dynamische zorgvrijstelling voor ogen stond die mee zou bewegen met de maatschappelijke ontwikkelingen. Het Hof zag terecht geen steun in wet en wetsgeschiedenis voor de eigen-handen-aan-het-bed-eis; de besluitgever heeft die eis ook niet in art. 4 Uitvoeringsbesluit Pro Vpb opgenomen. De Staatssecretaris vermeldt geen enkele passage uit de wetsgeschiedenis waaruit die eis zou voortvloeien. Hij baseert zich slechts op zijn eigen beleidsopvattingen. In ‘s Hofs oordeel is niet te lezen dat belanghebbendes werkzaamheid zou ‘opgaan in’ de feitelijke thuiszorg; het Hof kwalificeerde die werkzaamheid slechts als thuiszorg omdat zij nauw is verbonden met de feitelijke thuiszorg, die niet zonder haar activiteiten kan. Het Hof heeft terecht geoordeeld (r.o. 4.2.14) dat de aanscherping van de werkzaamheidstoets bij invoering van de Wet Vpb (zie 5.3 hierna) niet betekent dat subjectief slechts vrijgesteld kunnen worden thuiszorginstellingen die de feitelijke zorgverleners in dienst hebben; dat oordeel past bij het beoogde dynamische karakter van de vrijstelling. Duidelijk is immers dat de feitelijke thuiszorg steeds meer door ZZP’ers en niet meer door werknemers wordt verleend. In dat licht zijn verwijzingen naar de inrichting van de zorg tijdens de ontstaansperiode van de vrijstelling irrelevant voor de hedendaagse toepassing ervan.
5.Wet, wetsgeschiedenis en (beleids)regelgeving
zelfuitvoeren van taken waarvoor op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven dan wel waarvoor op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning door de gemeente een besluit is genomen. Activiteiten die daarentegen zijn gericht op preventie van ziekte vallen naar mijn mening niet onder het begrip 'genezing en verpleging'.”
6.Jurisprudentie
7.Literatuur
activiteitenvan het lichaam en niet op het lichaam zelf, [52] waardoor de vrijstelling een “voor zover”-karakter zou krijgen en kan meebewegen met de maatschappelijke ontwikkelingen (zij noemen dit “de activiteitentoets”):
Maatschappelijke ontwikkelingen en de werkzaamheids- en winstbestemmingstoetsen
market makeren
market moderatorin de thuiszorg. Ik acht des fiscus’ aanduiding van belanghebbendes bezigheid (vergelijkbaar met willekeurige administratieve dienstverlening) dan ook niet correct: de belanghebbende brengt immers ook vraag en aanbod bij elkaar, behandelt klachten aan de vraagkant, organiseert vorming en kwaliteit aan de aanbodkant, en coördineert de activiteiten van de betrokken instanties ten behoeve van individuele zorgvragers en -aanbieders, als een soort AWBZ-hoofdaannemer. Bovendien wordt niet elke willekeurige administratieve dienstverlener door het Cvz toegelaten tot de AWBZ-uitvoering.
market makerszoals de belanghebbende niet subjectief vrijstellen, vooral juist omdat die ZZP-ers niet bij de belanghebbende in dienst zijn, zich baserend op letterlijke interpretatie van een in het licht van die zorg(financierings)wetgeving - ook volgens de overheid zelf - verouderde, want daaraan niet aangepaste fiscale wetgeving.
market making, maar op verhuur van zorgvastgoed. Dat de executieve die eis op een gegeven moment in zijn beleidsbesluiten is gaan stellen (zie 5.10 en 5.11 hierboven), maakt hem geen wet of recht, maar een beleidsopvatting. Het beroep van de Staatssecretaris op zijn beleidsbesluiten komt daarmee neer op het advies van WC-Eend. [72] Het Hof Den Haag (zie 6.1) heeft een eigen-handen-aan-het-bed-eis reeds in 1965 verworpen. Die uitspraak betrof weliswaar nog niet de Wet Vpb, maar de Vrijstellingsbeschikking Vpb, maar de redactie daarvan was nagenoeg gelijk en de wetgever heeft de vrijstellingen ex de Vrijstellingsbeschikking Vpb in de Wet Vpb willen overnemen (zie 5.4).
volksverzekering uitvoeren en hun statuten en feitelijke bezigheid moeten deugen. Uitgaande van HR BNB 2012/89 (r.o. 3.3.2 t/m 3.3.5; zie 6.3 hierboven) mag voorts van een toegelaten AWBZ-instelling - met kwalificerende statutaire doelomschrijving - worden aangenomen dat haar feitelijke werkzaamheden het algemeen belang dienen, tenzij de fiscus het tegendeel aannemelijk maakt. Dat een instelling exploitatieoverschotten behaalt, doet daar op zichzelf niet aan af. De wetgever heeft vooralsnog afgezien van het stellen van een plafond aan de RAK en de Staatssecretaris van VWS achtte de reservevorming eind 2005 “acceptabel” (zie 5.16).
feesniet bestreden en dan zijn zij ontegenzeglijk winstbepalend en niet winstverdelend.