AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Zorgkantoor verplicht tot tijdige verlening van geïndiceerde thuiszorg aan verzekerden
Eiseressen, verzekerden op grond van de AWBZ, vorderen in kort geding dat het Zorgkantoor maatregelen treft om de thuiszorginstellingen in staat te stellen hen de geïndiceerde thuiszorg te verlenen. Ondanks positieve indicaties van het Regionaal Indicatie Orgaan (RIO) zijn zij op een wachtlijst geplaatst en ontvangen zij niet de zorg waarop zij recht hebben.
Het Zorgkantoor voert aan dat het niet in zijn macht ligt de wachtlijstproblematiek op te lossen vanwege budgettaire beperkingen en dat eiseressen zich tot de Staat moeten wenden. De rechtbank oordeelt echter dat het Zorgkantoor op grond van de AWBZ verplicht is zorg te dragen dat verzekerden hun aanspraken kunnen doen gelden en dat het sluiten van overeenkomsten met thuiszorginstellingen niet voldoende is om aan deze zorgplicht te voldoen.
De rechtbank stelt vast dat de termijn voor het starten van de thuiszorg ruimschoots is overschreden en dat het Zorgkantoor tekortschiet in zijn verplichtingen. Ook al zou het budget ontoereikend zijn, kan het Zorgkantoor zich hier niet op beroepen jegens de verzekerden. Het vonnis beveelt het Zorgkantoor binnen een week maatregelen te treffen, met een dwangsom van 100 gulden per dag per eiseres bij niet-naleving, en veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten.
Uitkomst: Het Zorgkantoor is veroordeeld om binnen een week maatregelen te treffen zodat de geïndiceerde thuiszorg aan eiseressen wordt verleend, onder verbeurte van een dwangsom.
Uitspraak
470 / K.G. nummer 105038
KG ZA 99/940 mr 29 oktober 1999
Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht in het kort geding van:
1. A te B,
2. C te D,
3. E te D,
4. F te G,
eiseressen,
procureur: mr. L.A.M. van Kippersluis,
advocaat: mr. A.H. Wijnberg te Groningen,
-tegen-
de onderlinge waarborgmaatschappij ANOVA ZORGVERZEKERINGEN,
Zorgkantoor Utrecht, gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
procureur: mr. J.J.W. Remme,
advocaat: mr. H.P. Utermark te 's-Gravenhage.
1. Het verloop van het geding
1.1. Eiseressen hebben de gedaagde, verder ook te noemen: het
Zorgkantoor, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende
dag, 19 oktober 1999, hebben eiseressen van eis geconcludeerd
overeenkomstig de inhoud van het exploit van dagvaarding,
waarvan een fotocopie aan dit vonnis is gehecht.
1.2. Eiseressen hebben hun vordering bij monde van mr. Wijnberg
toegelicht mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en
producties.
1.3. Het Zorgkantoor heeft daarop bij monde van mr. Utermark
verweer gevoerd mede aan de hand van overgelegde
(pleit)aantekeningen en producties.
1.4. Na voortgezet debat hebben partijen de stukken overgelegd
voor het wijzen van vonnis.
1.5. Bij brief van 21 oktober 1999 heeft mr. Wijnberg, op
verzoek van de president en nadat ter zitting door (de raadsman
van) het Zorgkantoor was verklaard daartegen geen bezwaar te
hebben, alsnog in kopie het procesdossier van het kort geding
bij de president, alsmede een kopie van het procesdossier van het
daartegen ingestelde hoger beroep aan de president doen
toekomen. Aan mr. Utermark, raadsman van het Zorgkantoor, heeft
mr. Wijnberg per gelijke post dezelfde stukken doen toekomen.
2. De vaststaande feiten
2.1. Eiseressen zijn verzekerden overeenkomstig de bepalingen
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna te noemen:
AWBZ).
2.2. De aanspraken van de verzekerden ingevolge de AWBZ vloeien
voort uit art. 6 AWBZPro jo. artikel 15 vanPro het daarop
gebaseerde besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
2.3. De te verlenen thuiszorg valt uiteen in zeven categorieën,
te weten:
- alphahulp,
- huishoudelijke hulp,
- verzorging,
- algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL),
- verpleging,
- gespeçialiseerde verzorging,
- gespecialiseerde verpleging.
2.4. De indicatie welke bepalend is voor de vraag of
de verzekerde aanspraak op thuiszorg heeft en, zo ja, op welke
categorie en in welke omvang wordt sedert 1 januari 1998
gesteld door een (onafhankelijk) Regionaal Indicatie Orgaan
(RIO) als bedoeld in artikel 9a AWBZ.
2.5. Eiseressen beschikken allen over een advies van het RIO,
waaruit zij op thuiszorg zijn aangewezen.
2.6. Eiseressen zijn door de hen betreffende instelling van
thuiszorg op een wachtlijst geplaatst. Zíj ontvangen derhalve
niet de hulp waarop zij, krachtens het advies van het RIO,
aanspraak hebben.
2.7. De uitvoeringorganen dienen, blijkens artikel 42 AWBZPro,
(met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 AWBZPro)
overeenkomsten te sluiten met personen en instellingen die één
of meer van de vormen van zorg krachtens de AWBZ kunnen
verlenen. In de praktijk is deze taak door alle
uitvoeringsorganen AWBZ gemandateerd aan één uitvoeringskantoor
AWBZ per regio, te weten het Zorgkantoor.
2.8. Het zorgkantoor heeft met de betrokken thuiszorg-
instellingen, onder meer, afgesproken dat lichamelijke zorg
(verpleging, ADL en gespecialiseerde verpleging) te allen tijde
direct moet worden geboden, zo nodig ten koste van andere
vormen van zorg indien het budget niet toereikend is, alsmede
dat de thuiszorginstellingen de mate van urgentie dienen te
bepalen en dat zij wachtlijsten dienen te beheren zulks op
basis van deugdelijke criteria.
2.9. Het Zorgkantoor heeft periodiek overleg met alle
thuiszorginstellingen in zijn regio. Daarbij wordt onder meer
getoetst of door de thuiszorginstelling is voldaan aan de met
da thuiszorginstelling gemaakte produktie afspraak, en met name
of de diverse categorieën van zorg in de afgesproken aantallen
zijn geleverd. Het Zorgkantoor heeft daarbij geconstateerd dat
er in zijn regio volledig wordt voldaan aan de
produktieafspraken, dat de lichamelijke zorg in ieder geval
binnen een redelijjke termijn wordt geboden doch dat er
wachtlijsten bestaan voor Alphahulp en HDL.
2.10. Bij kort gedingvonnis van 18 december 1998 heeft de
president van de arrondisementsrechtbank te ‘s-Gravenhage de
vordering van een aantal in vergelijkbare omstandigheden met
eiseressen verkerende personen tegen de Staat der Nederlanden
afgewezen. In voormeld vonnis heeft de president te
‘s-Gravenhage onder meer overwogen dat de Staat zich terecht op
het standpunt had gesteld dat niet zij maar de verschillende