Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
( [2] )De wetgever heeft om die reden ervoor gekozen het aantal gronden voor aantasting van arbitrale vonnissen beperkt te houden.
( [3] )Globaal weergegeven betreffen die gronden de gevallen, waarin arbiters niet bevoegd zijn om van het geschil kennis te nemen, er gedurende de procedure in strijd met fundamentele rechtsbeginselen is gehandeld of het arbitrale vonnis onder invloed van bedrog, valse stukken of onterecht achtergehouden informatie is tot stand gekomen. In die gevallen heeft de wetgever het gerechtvaardigd geoordeeld om het principe te laten varen dat de overheidsrechter zich terughoudend tegenover arbitrale vonnissen dient op stellen. Het algemeen belang dan wel het zwaarwegende belang van één der partijen prevaleert in dergelijke gevallen boven het beginsel van onherroepelijkheid van het arbitraal vonnis.( [4] )
( [5] )
( [6] )
( [7] )
( [8] )P. Cleveringa onderschrijft dit betoog: bedrog is “elke oneerlijke proceshouding (…), die tot strekking heeft de waarheid te verdoezelen en hierdoor het materiële recht in zijn tegendeel te verkeren; ook een zwijgen kan aldus bedrog opleveren.”
( [9] )F.F. Langemeijer merkt nog op dat de door de Hoge Raad gehanteerde definitie van bedrog geenszins uitputtend is, gelet op het gebruik van termen als “reeds” en “onder meer”.
( [10] )In de lagere jurisprudentie wordt eveneens een ruime uitleg van bedrog gehanteerd.
( [11] )
( [12] )Wel wijst hij in zijn annotatie onder het – in voetnoot 7 vermelde – arrest G/Coöperatieve Rabobank van 19 december 2003 er op dat naar zijn mening de door de Hoge Raad in dat arrest gebezigde term ‘oneerlijke proceshouding’ onvoldoende onderscheidend is. Hij bepleit een precisering. Eerst stelt hij voorop: “Van een eerlijk (‘fair’, art. 6 EVRM Pro) proces kan (…) geen sprake zijn als blijkt dat de rechter zijn beslissing heeft gebaseerd op een feitelijk substraat dat als gevolg van oneerlijk procederen van een der partijen de werkelijkheid geweld aandoet.” Daarna duidt hij het ‘oneerlijk procederen’ met: “elke proceshouding die tot strekking heeft de waarheid te verdoezelen en hierdoor het materiële recht in zijn tegendeel te verkeren”. Dit is aldus te begrijpen dat niet ieder zwijgen een oneerlijke proceshouding vormt op basis waarvan tot bedrog kan worden geconcludeerd, maar pas dat zwijgen of verzwijgen dat ertoe leidt dat de rechter en de wederpartij een onwaarachtig feitencomplex krijgen voorgespiegeld waardoor het materiële recht een verkeerde uitwerking krijgt.
( [13] )
verzwijgen– dus uit het niet vermelden, terwijl vermelden wel geboden was – van diverse in rov. 3.7 nader omschreven feiten en omstandigheden, waarvan het hof aannemelijk acht dat arbiters bij kennisneming van hen tot een andere beslissing hadden kunnen komen.
( [15] )Het tegenbewijs vindt plaats in het kader van de betwisting van door de wederpartij gestelde feiten en omstandigheden. Voor zover het tegenbewijs aansluit op de betwisting van de door de wederpartij gestelde feiten en omstandigheden, is een aparte specificatie van de feiten en omstandigheden, waarop het tegenbewijs betrekking heeft, niet nodig.
( [16] )
( [17] )[eiser] heeft dit bestreden. Volgens hem waren Aqua Fina, [verweerder 2] en [verweerder 3] met genoemde feiten al eerder, ook vóór 10 augustus 2010, bekend.
( [18] )In verband hiermee beroept [eiser] zich in het bijzonder op een bericht van 16 augustus 2010, waarnaar in het rapport van 27 augustus 2010 wordt verwezen. Hoewel daarom verzocht, hebben Aqua Fina, [verweerder 2] en [verweerder 3] dat bericht niet in het geding gebracht. Nu de vordering tot herroeping op 10 november 2010 is ingesteld, is die vordering niet-ontvankelijk, aldus [eiser]. Zij is immers niet ingesteld binnen drie maanden nadat het bedrog bekend is geworden (artikel 1068 lid 2 Rv Pro). Het hof acht het niet-ontvankelijkheidsverweer ongegrond, omdat [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die kunnen meebrengen dat Aqua Fina, [verweerder 2] en [verweerder 3] al vóór kennisneming van het rapport van 27 augustus 2010 van Palladin kennis droegen van alle daarin vermelde feiten en omstandigheden die zij aan hun vorderingen ten grondslag leggen, terwijl de dagvaarding met de vorderingen op 10 november 2010 is uitgebracht, dus binnen de door de wet gestelde drie maanden termijn. Dit laatste geldt ook, aldus het hof, wanneer zou moeten worden aangenomen dat in het niet overgelegde bericht van 16 augustus 2010 al feiten en omstandigheden zouden zijn te lezen, die, in onderlinge samenhang en verband bezien, voldoende zouden zijn om te oordelen dat het bedrog door kennisneming van dit bericht al bekend was en/of de nieuwe stukken al – deels – in handen van Aqua Fina, [verweerder 2] en [verweerder 3] waren.
Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep