ECLI:NL:PHR:2013:861
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gelijkheid en discriminatie bij toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteit in erf- en schenkbelasting
De zaak betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de Successiewet 1956. Belanghebbende verkreeg geen ondernemingsvermogen, waardoor de BOF niet van toepassing was, terwijl bij verkrijging van ondernemingsvermogen volledige vrijstelling geldt. Dit leidt tot ongelijke wettelijke behandeling.
De Advocaat-Generaal (A-G) stelt dat de BOF in strijd is met het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod voor zover de vrijstellingen hoger zijn dan 75% van het ondernemingsvermogen. Rechtsherstel dient te worden verleend door ook aan verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen een vrijstelling toe te kennen naar rato van het verschil boven 75%. In het onderhavige jaar 2011 betekent dit een aanvullende vrijstelling van 25% over het eerste miljoen en 8% over het meerdere.
Belanghebbende voerde tevens een beroep in op het verbod van willekeur uit artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM, stellende dat de BOF een privilege is dat leidt tot willekeurige en excessieve belastingheffing. De A-G verwierp dit, stellende dat de belastingheffing na rechtsherstel niet excessief is en een legitiem doel dient.
De conclusie van de A-G is dat het beroep in cassatie gegrond moet worden verklaard en dat rechtsherstel door de Hoge Raad moet worden verleend. De zaak bevat uitgebreide beschouwingen over de wetsgeschiedenis, jurisprudentie, en de verhouding tussen de BOF en internationale discriminatieverboden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en rechtsherstel verleend voor de ongelijke toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit boven 75% vrijstelling.