Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd te beslissen op een door de verdediging gevoerd verweer inhoudende dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs doordat de officier van justitie geen toestemming heeft gegeven voor het inzetten van een technisch hulpmiddel, te weten het plaatsen van een merkteken op de voordeur van de woning van verzoeker, terwijl deze handelwijze inbreuk maakt of kan maken op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker.
de kwestie van het merktekenbuiten beschouwing kon laten, te meer in het licht van de daaropvolgende zinnen: We weten trouwens niet wat dat hulpmiddel is geweest. Dus welke conclusies kan je trekken uit een opsporingsmethode die onbekend is. [3]
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte 17 augustus 2003 als aanvangsdatum van de periode waarbinnen de bijstandsfraude zou zijn gepleegd, heeft bewezen verklaard. Het middel gaat eraan voorbij dat blijkens de bewijsmiddelen en de uitvoerige nadere bewijsoverweging van het Hof verzoeker zelf bij de politie heeft verklaard dat voordat hun dochter – op 17 augustus 2003 - werd geboren hij al regelmatig verbleef in de woning van [betrokkene 1] op het adres [a-straat 1] te [betrokkene 2].
derde middelklaagt over schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het middel bevat allereerst de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.