ECLI:NL:PHR:2013:81
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid betekening appeldagvaarding bij onbekende woonplaats verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Hof Amsterdam waarin verdachte bij verstek is veroordeeld wegens twee maal zwartrijden. Het cassatiemiddel richt zich op de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding.
Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het hof ten onrechte aannam dat verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland had, terwijl volgens het middel een adres in Eindhoven bekend was. De Hoge Raad oordeelt dat dit adres slechts een postadres betreft, gebruikt door een gemeentelijke dienst, en geen feitelijke woon- of verblijfplaats. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op GBA-overzichten en verklaringen van verdachte zelf.
Het tweede onderdeel klaagt dat het hof niet heeft onderzocht of verdachte ten tijde van de betekening in Nederland was gedetineerd, wat bij detentie de betekening aan de persoon zelf vereist. Hoewel het hof dit niet expliciet heeft onderzocht, blijkt uit nadere inlichtingen dat verdachte op het moment van betekening niet in Nederland gedetineerd was. Hierdoor is er geen belang bij cassatie. Het middel faalt in beide onderdelen en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de betekening van de appeldagvaarding rechtsgeldig is geschied.