Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde in cassatie dat de appeldagvaarding niet rechtsgeldig was betekend, omdat hij volgens het proces-verbaal geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland had. De Hoge Raad onderzocht de stukken, waaronder het GBA-overzicht en de akte van uitreiking, waaruit bleek dat de dagvaarding aanvankelijk was betekend op het bekende postadres van de verdachte in Eindhoven.
Hoewel de dagvaarding later ook aan de griffier werd betekend wegens onbekend verblijfadres, leidt dit niet tot het ongeldig verklaren van de eerdere betekening. De Hoge Raad oordeelde dat de betekening op het GBA-adres rechtsgeldig was en dat het middel van de verdachte geen feitelijke grondslag had.
Het beroep in cassatie werd daarom verworpen. De uitspraak bevestigt het belang van de juiste toepassing van de regels rond betekening en het uitgangspunt van het bekende adres in de GBA, ook als er later onduidelijkheid ontstaat over het verblijf van de verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de betekening van de appeldagvaarding rechtsgeldig was op het bekende GBA-adres.