Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten (op deugdelijke wijze) in het bestreden arrest de ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 april 2011 gedane vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot ontneming van een bedrag van € 200.181,40 aan wederrechtelijk verkregen voordeel en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag, te vermelden nu in het arrest met betrekking tot die vordering wordt gerept van een bedrag van € 200.181,40.
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de inhoud van de wettige bewijsmiddelen te vermelden waarop het Hof de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in art. 36e Sr heeft gebaseerd, althans dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten met een voldoende mate van nauwkeurigheid de inhoud van de wettige bewijsmiddelen aan te geven waaruit de bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gehanteerde uitgangspunten kunnen worden afgeleid.