ECLI:NL:PHR:2013:537

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2013
Publicatiedatum
27 augustus 2013
Zaaknummer
11/03078
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 3 WVW 1994Art. 107 lid 1 WVW 1994Art. 176 lid 3 WVW 1994Art. 177 lid 1 onder a WVW 1994Art. 178 lid 1 WVW 1994
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt rijontzegging wegens overtreding art. 107 WVW 1994

Het Gerechtshof Amsterdam veroordeelde verdachte voor overtreding van art. 8 lid 3 onderdeel Pro a en art. 107 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, legde een geldboete, werkstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden op, waarvan vier voorwaardelijk.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De verdediging voerde aan dat de straf te hoog was en dat de rijontzegging onterecht was opgelegd voor het rijden zonder rijbewijs (art. 107 WVW Pro 1994).

De Hoge Raad oordeelde dat de wet noch krachtens de wet voorziet in de mogelijkheid om de rijbevoegdheid te ontzeggen bij overtreding van art. 107 WVW Pro 1994, verwijzend naar een eerder arrest (HR 12 april 2011, LJN BP4474). Daarom was de opgelegde rijontzegging onrechtmatig voor dat feit.

De Hoge Raad vernietigde de strafoplegging voor zover deze de rijontzegging betreft, verwierp het beroep voor het overige en overwoog dat de zaak zelf kan worden afgedaan met een aangepaste rijontzegging voor het feit waarvoor dit wel is toegestaan (art. 8 WVW Pro 1994).

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de rijontzegging voor het rijden zonder rijbewijs en bevestigt de overige straffen.

Conclusie

Nr. 11/03078
Zitting: 21 mei 2013 (bij vervroeging)
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem heeft bij arrest van 23 juni 2011 verdachte wegens 1. “overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van € 450,00, subsidiair 9 dagen hechtenis en een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1.
Het middel klaagt dat het Hof zonder de redenen op te geven die daartoe geleid hebben, is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat een minder zware straf passend is dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
4.2.
Het middel doelt op hetgeen de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd:
“Mijns inziens is de straf veel te hoog. In de Landelijke Oriëntatiepunten van 2009 was de richtlijn, voor het te veel aan promillage zoals cliënt ten laste is gelegd, een geldboete van €350, - en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. De situatie en het strafblad kunnen mijns inziens niet voldoende bewezen worden om daar een dergelijke hoge straf voor op te leggen. Cliënt hoopt in de toekomst een baan te krijgen en dan zal hij zijn rijbewijs nodig hebben. De boete vind ik wel fors voor cliënt. Hij mag deze dan wel in termijnen betalen maar volgens de Landelijke Oriëntatiepunten is dit wel een hoog bedrag. Uiteindelijk is er nu ook een eind gekomen aan het rijden zonder rijbewijs, daar cliënt nu in het bezit is van een rijbewijs.”
4.3.
Het Hof heeft hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd kennelijk en niet onbegrijpelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 tweede Pro volzin Sv.
4.4.
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1.
Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte een ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd ter zake van het rijden zonder rijbewijs.
5.2.
Het Hof heeft de verdachte onder meer ter zake van overtreding van art. 107 lid 1 WVW Pro 1994 (feit 2) de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zoals de Hoge Raad oordeelde in HR 12 april 2011, LJN BP4474 is echter bij noch krachtens de wet voorzien in de mogelijkheid om de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen bij overtreding van art. 107 lid 1 WVW Pro 1994.
5.3.
Het middel is terecht voorgesteld. Ik heb mij afgevraagd of het arrest zich leent voor verbeterde lezing, nu op grond van art. 179 lid 1 WVW Pro 1994 een ontzegging van de rijbevoegdheid wel wegens overtreding van art. 8 WVW Pro 1994 (feit 1) kan worden opgelegd en wellicht gezegd zou kunnen worden dat het Hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, tot eenzelfde strafoplegging heeft willen komen als de Politierechter, die eveneens 6 maanden rijontzegging oplegde, maar dan alleen voor feit 1. Daarvoor zou misschien pleiten dat het Hof niet voor ieder feit afzonderlijk een rijontzegging heeft opgelegd, hetgeen wel had gemoeten als het Hof ook feit 2 met een rijontzegging had willen bestraffen. [1]
5.4.
Toch meen ik dat deze weg niet kan worden begaan. Dat het Hof zich bij de strafoplegging door de Politierechter heeft willen aansluiten, blijkt niet uit de bestreden uitspraak. Daar komt bij dat het gebrek waarover het middel klaagt, niet de enige misslag is met betrekking tot de strafoplegging. Het onder 1 bewezenverklaarde is op grond van art. 176 lid 3 in Pro verbinding met art. 178 lid 1 WVW Pro 1994 een misdrijf en het onder 2 bewezenverklaarde is op grond van art. 177 lid 1 onder Pro a in verbinding met art. 178 lid 2 WVW Pro 1994 een overtreding. Op grond van art. 62 Sr Pro dient derhalve voor elk feit afzonderlijk straf te worden opgelegd. Evenals de Politierechter heeft het Hof verdachte – naast oplegging van de rijontzegging – veroordeeld tot een geldboete en een werkstraf. Maar anders dan de Politierechter heeft het Hof, dat art. 62 Sr Pro wel vermeldde onder de toegepaste wetsartikelen, nagelaten te vermelden voor welk feit welke straf is opgelegd. [2] Bij zoveel slordigheid wordt het moeilijk om als kennelijke bedoeling van het Hof aan te nemen dat het niet van de strafoplegging in eerste aanleg wilde afwijken. In het verlengde daarvan ligt dat het nog maar de vraag is of de verdachte door een verbeterde lezing niet in zijn belang wordt geschaad. Misschien had het Hof wel een rijontzegging voor kortere duur opgelegd als het zich had gerealiseerd dat rijontzegging voor feit 2 niet is toegestaan.
5.5.
Daarmee is niet gezegd dat de vernietiging van de bestreden uitspraak tot terug- of verwijzing moet leiden. De Hoge Raad zou om doelmatigheidsredenen de zaak zelf kunnen afdoen en daarbij voor (alleen) feit 1 een rijontzegging kunnen opleggen van (bijvoorbeeld) vijf maanden en twee weken.
6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.HR 27 februari 1990, LJN ZC8490, VR 1991/19; HR 20 april 2010, LJN BL5643.
2.De op de beide feiten gestelde strafmaxima, te weten drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de derde categorie (feit 1) respectievelijk twee maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie (feit 2), geven daarover geen uitsluitsel.