Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
27 augustus 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hem een ontzegging van de rijbevoegdheid was opgelegd voor overtreding van art. 8 lid 3 onderdeel Pro a en art. 107 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de strafoplegging.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen had ontzegd voor de overtreding van art. 107 lid 1 WVW Pro 1994, omdat noch bij noch krachtens de wet een dergelijke ontzegging mogelijk is. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling van dat onderdeel. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd bevestigd dat de ontzegging van rijbevoegdheid niet kan worden opgelegd bij overtreding van art. 107 lid 1 WVW Pro 1994.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de ontzegging van de rijbevoegdheid wegens het ontbreken van wettelijke grondslag en verwijst de zaak terug naar het hof.