Conclusie
Middel 1bevat de klacht over ‘s Hofs opvatting dat taak en bevoegdheid van de burgemeester krachtens de Wet openbare manifestaties (hierna: WOM) niet exclusief is.
Middel 2bevat de klacht dat het Hof ten onrechte art. 2.2, derde lid, APV Amsterdam van toepassing heeft geacht op betogingen in de zin van de WOM.
Middel 3klaagt erover dat het Hof ten onrechte aan het zojuist genoemde artikel een bevelsbevoegdheid voor de politie heeft verbonden. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dient te worden
(? NJ)heeft de raadsvrouw bepleit dat vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, ook indien artikel 2.2. lid 3 APV Amsterdam wel van toepassing zou zijn, nu in deze bepaling geen bevelsbevoegdheid wordt toegekend aan de politie. Ook om die reden zou er geen sprake zijn van een bevel, krachtens wettelijk voorschrift, waarvan de niet opvolging zou leiden tot een overtreding van artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr.).
bij de Hoge Raad der Nederlanden