ECLI:NL:HR:2014:353

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2014
Publicatiedatum
18 februari 2014
Zaaknummer
12/00487
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184 SrArt. 2.2 lid 3 APV Amsterdam
Verwijzingen
5 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken wettelijk voorschrift voor vordering politieambtenaar

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld wegens het niet opvolgen van een vordering van een politieambtenaar tijdens een demonstratie in Amsterdam. Het hof had geoordeeld dat art. 2.2 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Amsterdam een wettelijk voorschrift vormt dat de politieambtenaar bevoegdheid geeft tot het doen van een vordering.

De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat een wettelijk voorschrift voor een vordering krachtens art. 184 Sr Pro uitdrukkelijk moet aangeven dat de ambtenaar bevoegd is tot het doen van die vordering. De APV-bepaling vermeldt dit niet expliciet. Hierdoor is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting. De overige middelen behoeven geen bespreking. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 18 februari 2014.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens ontbreken van een wettelijk voorschrift voor de vordering van de politieambtenaar.

Uitspraak

18 februari 2014
Strafkamer
nr. 12/00487
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 december 2011, nummer 23/004578-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal N. Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het derde middel

2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 2.2, derde lid, Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: APV) een wettelijk voorschrift is in de zin van art. 184 Sr Pro.
2.2.
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"zij op 12 december 2009 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2.2 lid 3 van de APV van Amsterdam gedaan door de brigadier van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland [verbalisant], die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar haar had bevolen, althans van haar had gevorderd (tijdens een demonstratie van anti-abortus sympathisanten en pro-abortus sympatisanten) zich te verwijderen van de Keizersgracht en/of Nieuwe Spiegelstraat in de richting van de Vijzelstraat, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering."
2.3.1.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 184, eerste lid, Sr. Die bepaling eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering (vgl. HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108, NJ 2008/206).
2.3.2.
Art. 2.2, derde lid, APV luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit:
"Degene die op of aan de weg bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de aangegeven richting."
2.4.
De tenlastelegging en bewezenverklaring van dit feit houden in dat de vordering van de daar genoemde ambtenaar van politie aan de verdachte om zich "te verwijderen van de Keizersgracht en/of Nieuwe Spiegelstraat in de richting van de Vijzelstraat" is gedaan krachtens art. 2.2, derde lid, APV. In aanmerking genomen dat deze bepaling niet uitdrukkelijk inhoudt dat de ambtenaar van politie is gerechtigd tot het doen van een vordering als waarvan te dezen sprake is, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.5.
Het middel slaagt.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 februari 2014.