Conclusie
eerste middelklaagt dat het verweer dat verzoeker niet (opzettelijk) medeplichtig is geweest aan de oplichting door [A] op ontoereikende gronden is verworpen en dat het hof daarbij, in navolging van de rechtbank, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de medeplichtigheid en het daarvoor vereiste (voorwaardelijke) opzet.
- verdachte aan een hem tot dan toe onbekende persoon zijn bankrekening, pinpas en de bijbehorende gegevens heeft afgestaan tegen de toezegging dat hij daarvoor een aanzienlijke vergoeding, te weten € 600,= tot € 1.000,= per week, zou ontvangen;
- alleen al gelet op deze zeer ongebruikelijke vergoeding verdachte op zijn vingers had kunnen natellen dat het risico groot was dat zijn gegevens zouden worden misbruikt.
tweede middelklaagt dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het door verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat onvoldoende verband bestaat tussen de gedragingen van verdachte en de schade van de benadeelde partijen, op grond waarvan de schadevergoedingsmaatregel niet (volledig) toewijsbaar zou zijn en dat het oordeel van het hof daaromtrent blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.